Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2518

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-06-2016
Datum publicatie
07-07-2016
Zaaknummer
14/4402 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:5427, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Voldoende zorgvuldig medische onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0713
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4402 ZW

Datum uitspraak: 29 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 juli 2014, 13/3429 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.F.M. van den Ekart, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Ekart. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.J.M.M. de Poel.

Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Het Uwv heeft een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 februari 2016 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 16 februari 2016 ingebracht. Appellant heeft hierop bij brief van 14 april 2016 gereageerd. Hierop heeft het Uwv bij brief van 10 mei 2016 gereageerd.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is vanaf 2003 bekend met arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen in verband met een posttraumatische artrose in de linker elleboog waaraan hij meerdere keren is geopereerd. Op 10 maart 2008 is appellant uitgevallen voor zijn werk als dakdekker met toegenomen linkerarmklachten. Op 21 november 2009 is appellant betrokken geweest bij een

kop-staartbotsing als gevolg waarvan hij nek- en rugklachten kreeg. Appellant is in december 2009 gezien voor een (Amber) heronderzoek in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Daarbij heeft een verzekeringsarts geconcludeerd dat er ten opzichte van de laatste beoordeling in 2006 sprake is van een toename van de beperkingen en deze vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 december 2009. Bij besluit van 10 maart 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 10 maart 2008 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet WIA, aangezien de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 35% bedraagt. Appellant werd daarbij ongeschikt geacht voor de maatmanfunctie maar nog wel in staat geacht om met inachtneming van zijn beperkingen, zoals neergelegd in de FML van 8 december 2009, de volgende functies te verrichten: medewerker tuinbouw (SBC-code 111010), productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050), samensteller kunststof- en rubberindustrie (SBC-code 271130), meteropnemer (SBC-code 315181) en inpakker (handmatig) (SBC-code 111190). Tegen het besluit van 10 maart 2010 zijn geen rechtsmiddelen ingediend.

2. Appellant heeft zich vanuit de situatie waarin hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving op 6 februari 2012 ziek gemeld vanwege linker elleboog- en rugklachten. In dat kader heeft appellant enkele malen het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Op het spreekuur van 6 december 2012 was de verzekeringsarts van mening dat appellant weer geschikt was om de werkzaamheden van de hem destijds bij de

WIA-beoordeling voorgehouden functies te verrichten. In navolging daarvan is bij besluit van

6 december 2012 de uitkering van appellant ingevolge de Ziektewet (ZW) met ingang van

16 december 2012 beëindigd. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van

19 april 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Aan dit besluit is een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van

16 april 2013 en een rapport van een arbeidsdeskundige van 3 maart 2010 ten grondslag gelegd.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat het medische onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en de conclusie kan dragen dat appellant met ingang van 16 december 2012 weer geschikt is voor het verrichten van zijn arbeid. De door appellant ingebrachte brieven van zijn behandelend anesthesioloog van

16 mei 2013, fysiotherapeut van 28 mei 2013 en psychiater van 14 juni 2013 hebben de rechtbank geen reden gegeven om de juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt in twijfel te trekken. Met betrekking tot het standpunt van appellant dat het Uwv ten onrechte niet de MAOC-richtlijn heeft gevolgd alsmede onvoldoende heeft bezien wat de functie-eisen van de geduide functies zijn, heeft de rechtbank overwogen dat het in deze procedure gaat om een beoordeling in het kader van de ZW waarbij geen functies worden geduid. Wel heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep rekening gehouden met de werkomschrijvingen van de in het kader van de Wet WIA geduide functies en bezien of deze functies nog steeds aan appellant kunnen worden voorgehouden, gelet op zijn medische beperkingen.

4.1.

In hoger beroep heeft appellant staande gehouden dat zijn beperkingen aanmerkelijk groter zijn dan door de verzekeringsartsen is aangegeven. Naast de elleboogklachten is steeds sprake geweest van ernstige schouder- en rugklachten, alsmede van psychische klachten. De rechtbank heeft ten onrechte niet aangegeven welke functies passend moeten worden geacht. Wat betreft de schouder- en rugklachten heeft appellant brieven overgelegd van de arts

Z. Sami van 5 februari 2014 en 16 april 2014, neurochirurg I.K. Haitsma van 16 juli 2014, een ongedateerde verklaring van osteopaat F.A. Mabayoje en brieven van 30 juni 2011 en

1 december 2011 van het Spine & Joint Centre. Voorts heeft appellant een

concept-expertiserapport van 8 januari 2016 van orthopedisch chirurg F.C. Öner overgelegd, dat is uitgebracht in de letselschadezaak naar aanleiding van het auto-ongeval in 2009.

4.2.

Het Uwv heeft naar aanleiding van de stukken van Haitsma en Öner een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 februari 2016 overgelegd. Deze informatie is aanleiding geweest om extra beperkingen aan te nemen. Deze beperkingen zijn neergelegd in een FML van 11 februari 2016, geldig vanaf 16 december 2012. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 16 februari 2016 geconcludeerd dat, rekening houdend met deze FML, vier van de onder 1 genoemde functies afvallen, maar dat de functies productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050) op 16 december 2012 voor appellant geschikt waren.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Zoals de Raad reeds vaker heeft beslist, gaat het daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de beëindiging van het ziekengeld wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies. In het geval van appellant geldt als “zijn arbeid” ten minste één van de in het kader van de Wet WIA geselecteerde, onder 1 genoemde functies.

5.2.

In de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 april 2013,

10 juli 2013, 27 november 2013, 29 oktober 2014 en 17 februari 2016 is inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd welke beperkingen appellant had op 16 december 2012 en waarom de door appellant ingebrachte informatie geen aanleiding geeft om meer beperkingen aan te nemen. In de FML van 11 februari 2016 zijn naast de beperkingen die reeds waren opgenomen in verband met de linker elleboog-, nek- en schouderklachten, aanvullende beperkingen opgenomen in verband met de rugklachten. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 16 februari 2016 eveneens inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat appellant met deze beperkingen in staat was de functies productiemedewerker industrie en samensteller elektronische apparatuur te verrichten. De reactie van appellant van 14 april 2016 leidt niet tot een ander oordeel. Over de stelling van appellant dat zijn linkerarm vanaf 2010 in het geheel niet belast mag worden heeft het Uwv terecht opgemerkt dat dit niet blijkt uit het dossier. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft daarom bij het beoordelen van de functies kunnen betrekken dat appellant ook de linkerarm, met inachtneming van de daarvoor in de FML opgenomen beperkingen, kan gebruiken. Ook heeft het Uwv met juistheid gesteld dat uit het dossier blijkt dat in de loop van de jaren onveranderd is aangenomen dat appellant 10 kilo kan duwen, trekken of tillen en niet, zoals appellant stelt, 5 kilo. Overigens hoeft in beide functies niet meer dan 5 kilo te worden geduwd, getild of getrokken. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep kan voorts worden gevolgd in zijn gemotiveerde standpunt dat bij het torderen in de functie samensteller elektronische apparatuur gebruik gemaakt kan worden van een draaibare stoel. Ten slotte heeft het Uwv voldoende gemotiveerd dat uit de door appellant genoemde brieven van Yulius van 14 juni 2013 en Engya Body & Balance van 9 februari 2011 niet blijkt van zodanige psychische beperkingen dat appellant de functies, die psychisch nauwelijks belastend zijn, niet zou kunnen verrichten.

6. Uit 5.1 en 5.2 volgt dat de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat appellant met ingang van 16 december 2012 weer geschikt was voor het verrichten van zijn arbeid en daarom per die datum geen recht meer had op ziekengeld. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2016.

(getekend) E. Dijt

(getekend) R.L. Rijnen

TM