Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2486

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
04-07-2016
Zaaknummer
15/305 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft het bezwaar van betrokkene terecht niet-ontvankelijk verklaard. De brief van 26 juni 2014 is niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Omdat bij aanvang van de opvang de einddatum daarvan al vast stond, bevat de brief van 26 juni 2014 slechts een mededeling van informatieve aard en is deze niet gericht op een zelfstandig rechtsgevolg. De brief is daarom geen besluit tot beëindiging van de opvang van betrokkene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/305 WMO, 15/2359 WMO

Datum uitspraak: 15 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 10 december 2014, 14/5943 en 14/7205 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Het college heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Mr. Fischer heeft tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Dit beroep is bij de Raad geregistreerd onder nummer 15/2359 WMO.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2016. De zaak is gevoegd behandeld met de zaken 15/148 WMO, 15/231 WMO, 15/233 WMO en 15/236 WMO. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.T. ‘t Jong. Namens betrokkene is verschenen mr. Fischer. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene, geboren [in] 1980, is afkomstig uit Eritrea. Betrokkene was gedurende de periode in dit geding van belang een vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) die op grond van het in de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 opgenomen koppelingsbeginsel geen aanspraak hebben op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen.

1.2.

Betrokkene kreeg vanaf november 2013 opvang in de Vluchthaven voor een periode van zes maanden. Op 2 mei 2014 heeft betrokkene een aanvraag ingediend om continuering van deze opvang. Bij brief van 26 juni 2014 heeft het college vermeld dat inmiddels de periode van zes maanden is verstreken en dat de opvang beëindigd dient te worden. Het college heeft voorgesteld om de aanvraag van 2 mei 2014 aan te merken als een aanvraag om maatschappelijke opvang in de zin van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

1.3.

Betrokkene heeft op 3 augustus 2014 bezwaar gemaakt tegen de brief van 26 juni 2014. Bij besluit van 19 augustus 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van betrokkene kennelijk niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de brief van 26 juni 2014 niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Tevens zijn bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht gegeven. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft daartoe overwogen dat het toelaten van betrokkene tot de Vluchthaven het gevolg is van een besluit op grond van de Wmo. De beëindiging van de opvang bij brief van 26 juni 2014 is daarom gericht op rechtsgevolg en is een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

3.1.

Het college heeft in hoger beroep aangevoerd dat in de door betrokkene getekende overeenkomst op grond waarvan hij werd toegelaten tot de Vluchthaven is vastgelegd dat de opvang van tijdelijke aard was en zou eindigen na zes maanden. De opvang is daarom van rechtswege geëindigd en niet bij de brief van 26 juni 2014. De brief van 26 juni 2014 bevat slechts een mededeling van informatieve aard en is niet gericht op enig rechtsgevolg.

3.2.

Betrokkene heeft in incidenteel hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank zelf had moeten voorzien nu het door het college gevoerde beleid bekend is en consequent wordt uitgevoerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In de uitspraak van 5 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4475, is geoordeeld dat het verstrekken van een toegangspas voor opvang in de Vluchthaven is aan te merken als een besluit tot het toelaten tot maatschappelijke opvang in de zin van de Wmo. In het geval van betrokkene was bij aanvang van de opvang in de Vluchthaven al bepaald dat deze zou eindigen op 31 mei 2014. Ter zitting is gebleken dat het betrokkene, dan wel zijn gemachtigde, bekend was dat hij bezwaar kon maken tegen deze einddatum. Omdat bij aanvang van de opvang de einddatum daarvan al vast stond, bevat de brief van 26 juni 2014 slechts een mededeling van informatieve aard en is deze niet gericht op een zelfstandig rechtsgevolg. De brief is daarom geen besluit tot beëindiging van de opvang van betrokkene. Verder bevat de brief het voorstel om het verzoek om continuering van de opvang in de Vluchthaven aan te merken als een aanvraag om maatschappelijke opvang in de zin van de Wmo en de aankondiging van een daarover te nemen besluit. Dit voorstel en deze aankondiging zijn evenmin op zelfstandig rechtsgevolg gericht. Wel blijkt hieruit eens te meer dat het college nog geen besluit had genomen op het verzoek om continuering van de opvang. De brief van 26 juni 2014 is daarom ook niet aan te merken als een besluit waarbij het verzoek om continuering van de opvang wordt afgewezen. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit beoordelen.

4.2.

Gelet op hetgeen in 4.1 is overwogen, is de brief van 26 juni 2014 niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Betrokkene kon hier dan ook geen bezwaar tegen maken. Het college heeft het bezwaar van betrokkene terecht niet-ontvankelijk verklaard.

4.3.

Betrokkene heeft in incidenteel hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank zelf had moeten voorzien door te bepalen dat hij de uitkering die hij op grond van het in Amsterdam geldende beleid had gekregen in het kader van de maatschappelijke opvang alsnog zou ontvangen. Deze grond slaagt niet, gelet op wat hiervoor is overwogen.

4.4.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van het college slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2016.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) M.S.E.S. Umans

UM