Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2477

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2016
Datum publicatie
04-07-2016
Zaaknummer
14-3505 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep niet-ontvankelijk. Met het nieuwe besluit is volledig aan de bezwaren van appellante tegemoet gekomen, zodat zij geen belang meer heeft bij een oordeel in hoger beroep in deze zaak. De omstandigheden dat nog niet volledig uitvoering is gegeven aan dit besluit en dat appellante in het Doelgroepenregister staat geregistreerd als iemand die kan werken leveren geen procesbelang op, omdat appellante met het nieuwe besluit het door haar gewenste resultaat heeft bereikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3505 WWAJ

Datum uitspraak: 30 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 mei 2014, 13/1993 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft bij brief van 10 juli een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 21 juli 2015 heeft het Uwv, onder verwijzing naar een bijgevoegd rapport van

17 juli 2015 van een arbeidskundige bezwaar en beroep, gereageerd op een vraag van de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door J.P. Miedema. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. J.C. Van Beek.

Na de behandeling van het geding ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen. In dat kader is een vraag gesteld aan het Uwv.

In reactie hierop heeft het Uwv op 4 november 2015 een nieuw besluit genomen, waarna partijen nadere stukken hebben ingediend.

De meervoudige kamer van de Raad heeft besloten de zaak te verwijzen naar een enkelvoudige kamer van de Raad.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een onderzoek op een nadere zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Appellante, geboren [in] 1979, heeft met een aanvraag van 28 augustus 2012 verzocht om in aanmerking te komen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong). Deze aanvraag is na een arbeidskundig onderzoek bij besluit van 20 september 2012 afgewezen, omdat appellante vanaf haar 17e tot het moment waarop de arbeidsondersteuning kon ingaan gedurende meerdere perioden over langere tijd meer dan 75% van het voor haar maatgevend loon heeft verdiend. Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is, na een onderzoek door een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, bij besluit van 21 januari 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.1.

Nadat appellante beroep had ingesteld, heeft het Uwv, in overeenstemming met het bepaalde in de uitspraak van de Raad van 20 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1816, alsnog een verzekeringsgeneeskundig onderzoek ingesteld. Daarbij is vastgesteld dat appellante beperkingen heeft en deze beperkingen zijn weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 januari 2014. Op basis van deze FML is een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in een rapport van 21 februari 2014 tot de conclusie gekomen dat appellante geschikt is voor een vijftal functies. Op basis van de drie functies met de hoogste lonen heeft hij berekend dat appellante in staat is om ten minste 75% van het maatloon, zijnde het minimumloon, te verdienen. Het Uwv heeft daarom het bestreden besluit ongewijzigd gehandhaafd.

2.2.

Bij brief van 17 maart 2014 heeft appellante een reactie gegeven op de nadere motivering van het bestreden besluit, waarbij zij onder meer heeft gesteld dat zij veel meer begeleiding nodig heeft dan de drie uur per week die het Uwv heeft aangenomen. Daarop heeft het Uwv gereageerd met een nader rapport van 19 maart 2014 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarnaast heeft de rechtbank het Uwv opgedragen het griffierecht aan appellante te vergoeden. Aangezien de rechtbank van oordeel was dat met de FML van

14 januari 2014 en het daaropvolgende rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 21 februari 2014 het bestreden besluit alsnog van een deugdelijke motivering was voorzien, heeft de rechtbank aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

4.1.

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gebleven.

4.2.

Bij het eerder genoemde besluit van 4 november 2015 heeft het Uwv appellante alsnog met ingang van 28 augustus 2011 een uitkering op grond van de Wet Wajong toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

4.3.

Bij brieven van 30 november 2015 en 30 januari 2016 heeft appellante te kennen gegeven dat zij zich kan verenigen met het besluit van 4 november 2015. Gelet hierop heeft het hoger beroep niet mede betrekking op dit besluit.

4.4.

Appellant heeft de Raad tevens verzocht alsnog uitspraak te doen op haar hoger beroep, in verband met jurisprudentie. Daarbij heeft zij gesteld dat het Uwv nog niet volledig uitvoering heeft gegeven aan het besluit van 4 november 2015. Bij een nadere brief van

2 maart 2016 heeft appellante haar ongenoegen uitgesproken over de omstandigheid dat zij in het Doelgroepregister staat vermeld als iemand met een Wajong-uitkering die kan werken.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Het Uwv is met het besluit van 4 november 2015 volledig aan de bezwaren van appellante tegemoet gekomen, zodat zij geen belang meer heeft bij een oordeel in hoger beroep in deze zaak. De omstandigheden dat nog niet volledig uitvoering is gegeven aan dit besluit en dat appellante in het Doelgroepenregister staat geregistreerd als iemand die kan werken leveren geen procesbelang op, omdat appellante met het besluit van 4 november 2015 het door haar gewenste resultaat heeft bereikt. Ten aanzien van het verzoek van appellante om alsnog een uitspraak te doen wordt verder overwogen dat de Raad zich volgens vaste rechtspraak niet geroepen acht tot het doen van principiële uitspraken (zie onder meer een uitspraak van de Raad van 11 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3239). Op grond van het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Daartoe wordt overwogen dat Miedema noch als een derde beroepsmatige rechtsbijstandverlener in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht kan worden aangemerkt, noch als een deskundige in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van dit besluit.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 122,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2016.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) P. Boer

JL