Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2473

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2016
Datum publicatie
05-07-2016
Zaaknummer
15/4622 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant was geen ambtenaar en er was geen ambtenaarsverhouding. Niet rechtstreeks in haar belang getroffen door de brief van 15 juli 2014, waartegen geen bezwaar en beroep openstond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2016/264
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4622 AW

Datum uitspraak: 30 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

22 mei 2015, 15/235 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg (college)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. G.H. Boelens, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2016. Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Boelens.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante ontving sinds 15 april 2009 een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) van de gemeente Hardenberg.

1.2.

Aan appellante is door de gemeente Hardenberg een traject aangeboden om werkervaring op te doen, door tussenkomst van de Stichting Werk en Scholing Noord-Oost Overijssel (SWS). In de periode van 1 februari 2010 tot 1 november 2011 zijn tussen SWS en appellante twee op elkaar aansluitende werkervaringsovereenkomsten, en een detacheringsovereenkomst gesloten waarbij appellante met behoud van uitkering dan wel tegen minimumloon telkens tewerk is gesteld bij de gemeente Hardenberg, afdeling Bouwen en Milieu, Toezicht Veiligheid Hardenberg (TVH).

1.3.

In de periode van 1 november 2011 tot 1 februari 2012 heeft appellante een uitkering ontvangen op grond van de Werkloosheidswet (WW). Vanaf 1 februari 2012 ontving appellante weer een uitkering op grond van de WWB.

1.4.

In de periode van 1 maart 2012 tot en met 31 december 2013 heeft appellante opnieuw

bij de gemeente Hardenberg gewerkt op basis van achtereenvolgens twee vrijwilligersovereenkomsten, twee werkervaringsovereenkomsten en een detacheringsovereenkomst door tussenkomst van SWS, onderscheidenlijk tegen een vrijwilligersvergoeding, met behoud van uitkering dan wel tegen minimumloon. Daarbij is appellante telkens geplaatst op de afdeling TVH.

1.5.

Vanaf 1 januari 2014 ontvangt appellante weer een uitkering op grond van de WWB.

1.6.

Bij brief van 4 juni 2014 heeft appellante het college verzocht haar rechtspositie definitief vast te stellen.

1.7.

Bij brief van 15 juli 2014 heeft het college aan appellante te kennen gegeven dat zij met ingang van 1 januari 2014 een volledige uitkering op grond van de WWB ontvangt en dat geen sprake is van een rechtspositionele status. Het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar is bij besluit van 22 december 2014 (bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard en geoordeeld dat het college het bezwaar van appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarbij heeft de rechtbank naar aanleiding van het verhandelde ter zitting tevens overwogen dat, voor zover appellante bezwaar heeft willen maken tegen het in het kader van de WWB opgestelde plan van aanpak van 15 juli 2014, het college hierover alsnog een besluit zal moeten nemen.

2.2.

Bij besluit van 7 oktober 2015 heeft het college het bezwaar van appellante tegen het plan van aanpak ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 april 2016 (15/2506) heeft de rechtbank Overijssel het beroep van appellante hiertegen ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld (16/3108 WWB), welk hoger beroep nog in behandeling is en waarop door de Raad bij separate uitspraak zal worden beslist.

3. Het hoger beroep van appellante strekt ertoe dat de aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Daarbij heeft appellante betoogd dat zij met terugwerkende kracht vanaf 1 februari 2010 aanspraak maakt op een betaald dienstverband bij de gemeente Hardenberg, al dan niet door middel van een aanstelling, omdat zij altijd heeft gewerkt op een reguliere arbeidsplaats.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad stelt voorop dat de door appellante aangevoerde argumenten die zien op haar WWB-uitkering en haar rechten en plichten in dat verband, hier buiten beschouwing blijven.

4.2.

Op grond van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

4.3.

Op grond van artikel 8:2, eerste lid, onder a ten eerste, van de Awb, wordt met een besluit gelijkgesteld een andere handeling van een bestuursorgaan waarbij een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet (AW) als zodanig belanghebbende is.

4.4.

Op grond van artikel 8:4, derde lid, onder a, van de Awb kan geen beroep worden ingesteld - en gezien artikel 7:1 van die wet kan dus ook geen bezwaar worden gemaakt - tegen een besluit tot benoeming of aanstelling, tenzij beroep wordt ingesteld door een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet (AW) als zodanig.

4.5.

Op grond van artikel 1, eerste lid, van de AW is ambtenaar in de zin van deze wet degene die is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn.

4.6.

Vaststaat dat appellante nimmer is aangesteld als ambtenaar bij de gemeente Hardenberg in de zin van artikel 1 van de AW. Een schriftelijk besluit daartoe heeft het college nooit genomen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 15 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4177) sluit dit niet uit dat toch een ambtenaarsverhouding kan ontstaan. Daartoe moet dan wel duidelijk blijken van een bij het college aanwezige bedoeling om een dergelijke verhouding tot stand te brengen, of van feiten of omstandigheden op grond waarvan de betrokkene heeft mogen begrijpen dat feitelijk een aanstelling als ambtenaar heeft plaatsgevonden. Nu deze situatie zich hier niet voordoet, is appellante met de brief van

15 juli 2014 niet in enige hoedanigheid van ambtenaar en als zodanig rechtstreeks in haar belang getroffen.

4.7.

Geconcludeerd wordt dan ook dat geen bezwaar en beroep openstond tegen de brief van 15 juli 2014. Gelet op het ontbreken van ambtenaarschap staat bovendien vast dat het bezwaarschrift van appellante geen betrekking heeft op enig besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, terwijl evenmin sprake kan zijn van een met een besluit gelijk te stellen andere handeling waarbij een ambtenaar als zodanig in zijn belang is getroffen. Het bezwaar van appellante is dus terecht niet-ontvankelijk verklaard.

4.8.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en J.J.T. van den Corput en M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2016.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) C.A.W. Zijlstra

sg