Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2456

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-06-2016
Datum publicatie
30-06-2016
Zaaknummer
15-1359 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Deugdelijk gemotiveerde verzekeringsgeneeskundige grondslag. Toereikend gemotiveerd dat de geduide functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. Vernietiging aangevallen uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0688
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1359 WAO

Datum uitspraak: 29 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 januari 2015, 14/1304 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. Anik, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2016.

Appellant en mr. Anik zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. I. Smit.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als productiemedewerker toen hij op 10 oktober 1996 uitviel met psychische klachten. Met ingang van 9 oktober 1997 is hem een uitkering toegekend op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2.

In het kader van een herbeoordeling heeft psychiater S. Henselmans in opdracht van het Uwv appellant onderzocht. Op 24 januari 2013 heeft psychiater Henselmans een

expertise-rapport uitgebracht. Daarin heeft hij onder meer vastgesteld dat appellant volgens de DSM-IV classificatie een aanpassingsstoornis heeft en geen depressieve stoornis. In een rapport van 3 april 2013 heeft een verzekeringsarts vastgesteld dat appellant beperkingen heeft voor het verrichten van arbeid als gevolg van geringe psychische klachten en verminderd gehoor. Die arts heeft deze beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 april 2013. Na een arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 15 augustus 2013 vastgesteld dat appellant met ingang van 16 oktober 2013 geen recht meer heeft op een WAO-uitkering, omdat hij op die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt is.

1.3.

Bij besluit van 4 februari 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 augustus 2013 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd een rapport van 27 januari 2014 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Die arts heeft geconcludeerd dat er geen argumenten zijn om af te wijken van de bevindingen van de verzekeringsarts.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze is verricht. Zo zijn alle naar voren gebrachte klachten, de onderzoeksbevindingen en de in het dossier aanwezige informatie van de behandelend sector op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Het expertise-rapport van psychiater Henselmans en het door appellant overgelegde medisch advies van 31 januari 2014 van verzekeringsarts E.C. van der Eijk stellen niet de diagnose persoonlijkheidsstoornis. Het dossier bevat geen gegevens dat appellant andere ziektes en gebreken heeft dan door het Uwv is aangenomen. Uit de enkele constatering van de verzekeringsarts dat appellant na langere tijd de huisarts weer heeft bezocht en zijn suggestie dat die bezoeken gerelateerd zijn aan de WAO-herbeoordeling volgt niet dat de verzekeringsarts vooringenomen is. Hij heeft enkel een vermoeden uitgesproken, gebaseerd op zijn verzekeringsgeneeskundig onderzoek. De rechtbank is niet gebleken dat het verleden van appellant en de omstandigheid dat hij eerder door psychiater F. Kaya is behandeld, de verzekeringsgeneeskundige beoordeling heeft beïnvloed.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en niet onjuist is verricht. De rechtbank heeft niet onderkend dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn medische geschiedenis en klachten. Zij heeft haar oordeel over de vooringenomenheid van de verzekeringsarts en de omstandigheid dat appellant is behandeld door psychiater Kaya onjuist en gebrekkig gemotiveerd. Ten onrechte heeft het Uwv het rapport van psychiater Henselmans gevolgd. Ter onderbouwing heeft appellant overgelegd een rapport van 8 april 2015 van psychiater B. Jacobsen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

Er is geen reden voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek naar de beperkingen van appellant onzorgvuldig of onjuist is verricht of dat de beperkingen van appellant voor het verrichten van arbeid per 16 oktober 2013 niet juist zijn vastgelegd in de FML van 3 april 2014. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verzekeringsarts vooringenomen is geweest, of dat de omstandigheid dat hij eerder door psychiater Kaya is behandeld de verzekeringsgeneeskundige beoordeling heeft beïnvloed. De overwegingen van de rechtbank die tot dat oordeel hebben geleid worden onderschreven. Daarvan uitgaande wordt overwogen dat de verzekeringsarts informatie heeft opgevraagd bij de huisarts en dat hij een expertise-onderzoek heeft gelast. De verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) hebben het dossier bestudeerd en hebben appellant medisch onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapporten van

27 januari 2014 en 24 september 2014 op inzichtelijke wijze uiteengezet dat zijn eigen medisch onderzoek en de informatie van de huisarts, de informatie van behandelend psychiater Kaya, het expertise-rapport van psychiater Henselmans en het medisch advies geen argumenten opleveren om af te wijken van de bevindingen van de verzekeringsarts, zoals vastgesteld in zijn rapporten van 3 oktober 2012, 1 november 2012 en 3 april 2013 en vastgelegd in de FML van 3 april 2014. Gelet hierop wordt appellants begroepsgrond dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met de situatie van appellant, zijn medische geschiedenis en zijn klachten, verworpen.

4.2.1.

In hoger beroep heeft appellant een rapport overgelegd van 8 april 2015 van psychiater Jacobsen. Uit dat rapport blijkt dat psychiater Jacobsen appellant sinds oktober 2014 kent en dat het voor hem bijzonder moeizaam was om tot een adequaat diagnostisch beeld te komen. Jacobsen heeft gesteld dat hij op grond van heteroanamnese en psychiatrisch onderzoek heeft geconcludeerd dat er een jaren bestaand chronisch depressief toestandsbeeld is en dat appellant momenteel waarschijnlijk psychotische en eventueel cognitieve annex cerebrale problemen ontwikkelt. Nader psychiatrisch onderzoek/observatie, neuropsychologisch- en vermoedelijk neurologisch onderzoek is gewenst.

4.2.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 13 juli 2015 overwogen dat het rapport van psychiater Jacobsen niet ziet op de datum in geding, nu het onderzoek ruim een jaar na die datum is verricht. Voorts heeft hij gesteld dat psychiater Jacobsen geen volledig onderzoek heeft verricht. Bij gebrek aan informatie uit het verleden heeft psychiater Jacobsen een heteroanamnese afgenomen die summier, eenzijdig en gekleurd is. Hij heeft de beperkingen van appellant zwaarder ingeschat, omdat hij klachtengerelateerd heeft gerapporteerd. Psychiater Henselmans heeft op basis van uitgebreid en volledig onderzoek vastgesteld dat appellant volgens de DSM-IV classificatie een aanpassingsstoornis heeft en geen depressieve stoornis. Psychiater Henselmans heeft appellant onderzocht op psychotische en cognitieve problematiek en heeft die problematiek niet vast kunnen stellen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de overgelegde informatie van psychiater Jacobsen geen aanleiding geeft tot wijziging van het verzekeringsgeneeskundig standpunt dat in de FML van 3 april 2013 de beperkingen van appellant juist zijn vastgelegd.

4.2.3.

De Raad overweegt dat psychiater Henselmans op inzichtelijke wijze verslag heeft gedaan van het door hem op 7 januari 2013 verrichte onderzoek dat, met bijstand van een onafhankelijke tolk, heeft bestaan uit een anamnese, een heteroanamnese met behulp van de echtgenote, psychiatrische voorgeschiedenis, sociaal-biografische anamnese, werkanamnese, psychiatrisch onderzoek en aanvullend onderzoek naar persoonlijkheidspathologie. Hij heeft deugdelijk gemotiveerd op grond van welke onderzoeksbevindingen hij het standpunt inneemt dat appellant een aanpassingstoornis, niet gespecificeerd, heeft. Psychiater Jacobsen heeft ruim een jaar na de datum in geding een minder uitgebreid onderzoek verricht dat, zonder bijstand van een onafhankelijke tolk, voornamelijk uit een heteroanamnese met behulp van de echtgenote heeft bestaan. Psychiater Jacobsen heeft niet inzichtelijk gemaakt waaruit het psychiatrisch onderzoek van appellant heeft bestaan en op grond van welke bevindingen uit dat onderzoek hij heeft geconcludeerd dat appellant jarenlang, dus ook op de datum in geding, chronisch depressief is geweest. Gelet hierop geeft het rapport van psychiater Jacobsen geen aanleiding het standpunt van psychiater Henselmans voor onjuist te houden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft terecht meer gewicht toegekend aan het rapport van psychiater Henselmans. De beschikbare medische gegevens geven geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de beschouwingen en de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het voorgaande impliceert dat het ter zitting naar voren gebrachte verzoek een deskundige te benoemen, wordt afgewezen. Het bestreden besluit is gebaseerd op een deugdelijk gemotiveerde verzekeringsgeneeskundige grondslag.

4.3.

Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat, uitgaande van FML van 3 april 2013, appellant in staat moet worden geacht de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. Een arbeidsdeskundige heeft toereikend gemotiveerd dat die functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

4.4.

Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2016.

(getekend) E. Dijt

(getekend) B. Dogan

JL