Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2445

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-06-2016
Datum publicatie
30-06-2016
Zaaknummer
14-1291 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hulp bij het Huishouden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2016/271
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1291 WMO, 16/1631 WMO

Datum uitspraak: 15 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

21 februari 2014, 13/5221 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Cuijk (college)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen een tussenuitspraak gedaan op 25 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1011 (tussenuitspraak).

Het college heeft op 17 augustus 2015 een nieuw besluit genomen.

Appellante heeft in een brief van 23 september 2015 haar zienswijze over dat besluit naar voren gebracht.

Op verzoek van de Raad heeft het college bij brief van 3 december 2015 gereageerd op de zienswijze van appellante.

Bij brief van 11 januari 2016 heeft appellante gereageerd op de brief van het college van

3 december 2015.

De Raad heeft bepaald dat het nadere onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

De Raad heeft het onderzoek heropend en schriftelijk vragen gesteld aan het college.

Bij brief van 6 april 2016 heeft het college gereageerd.

De Raad heeft vervolgens bepaald dat het nadere onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uiteenzetting van de feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de tussenuitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1.

In de tussenuitspraak is geoordeeld dat het college in bestreden besluit 1 onvoldoende heeft gemotiveerd of de boodschappendienst voor appellante heeft te gelden als compensatie voor haar beperkingen en dat het bestreden besluit ook ten aanzien van het niet toekennen van tijd voor het bereiden van een broodmaaltijd en het opwarmen van de warme maaltijd en het niet toekennen van extra tijd voor de wasverzorging niet op een deugdelijke motivering berust.

2. In het besluit van 17 augustus 2015 (bestreden besluit 2) heeft het college in aanvulling op de reeds toegekende tijd van 5 uur en 45 minuten per week voor de hulp bij het huishouden

30 minuten extra toegekend voor de wasverzorging. Het college heeft geen aanleiding gezien om extra tijd voor het doen van de boodschappen toe te kennen, omdat appellante met gebruikmaking van aangepaste communicatieapparatuur gebruik kan maken van een boodschappendienst. Het college heeft verder geen aanleiding gezien voor het toekennen van tijd voor het bereiden van de broodmaaltijd en het bereiden en opwarmen van de warme maaltijd. Appellante wordt in staat geacht de broodmaaltijd te kunnen bereiden en voor de warme maaltijden kan zij gebruik maken van de maaltijdservice, waaronder Tafeltje Dekje die warme maaltijden brengt. Verder kan appellante met ingang van 2015 bij het bereiden van broodmaaltijden en het opwarmen van maaltijden een beroep doen op de op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) geïndiceerde begeleiding. Aan dit besluit heeft het college een rapport van SCIO Consult, van R.B.E.M. van Nistelrooij, medisch adviseur/arts, van 6 augustus 2015 ten grondslag gelegd.

3. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat zij niet in staat is om een computer te bedienen voor het doen van de boodschappen en dat het onduidelijk is wat het college in dat verband bedoelt met aangepaste communicatieapparatuur. Ook heeft zij gewezen op de (extra) kosten die aan een maaltijden- en boodschappenservice zijn verbonden en dat zij die niet kan dragen. Verder dient haar broer op medische gronden de warme maaltijden verspreid over de dag te nuttigen, zodat een maaltijdenservice niet als passend kan worden beschouwd. Verder is de toegekende extra tijd voor de wasverzorging nog ontoereikend, omdat dagelijks behoefte bestaat aan 30 minuten wasverzorging. Appellante heeft er tevens op gewezen dat vanwege COPD-klachten de woning stofvrij moet worden gehouden, zodat meer tijd moet worden geïndiceerd voor het doen van het zware en lichte huishoudelijke werk. Ten slotte heeft appellante verzocht om een persoonsgebonden budget in plaats van de toegekende zorg in natura.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Omdat bestreden besluit 2 niet volledig aan de bezwaren van appellante tegemoet komt, wordt dit nieuwe besluit op de voet van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht in de beoordeling betrokken. Omdat appellante geen belang meer heeft bij haar beroep tegen bestreden besluit 1 wordt dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Boodschappen doen

4.2.

In de tussenuitspraak heeft de Raad overwogen dat niet is gebleken dat het college heeft onderzocht of appellante gezien haar beperkingen in staat is om een bestelling bij een boodschappendienst te doen en zij daarmee daadwerkelijk gebruik kan maken van de boodschappendienst. Niet is gebleken dat het college alsnog heeft onderzocht of appellante in staat is om een bestelling bij een boodschappendienst te doen. Het college heeft aangegeven dat appellante met een beroep op de Regeling Zorgverzekering en, indien van toepassing, de Wmo gebruik zou kunnen maken van aangepaste communicatieapparatuur. Echter, uit de gedingstukken kan niet worden opgemaakt wat het college met die communicatieapparatuur bedoelt en dus ook niet dat appellante daarmee daadwerkelijk in staat is om bestellingen bij een boodschappendienst te doen. Evengoed is van belang dat uit het rapport van SCIO volgt dat appellante problemen heeft met het vasthouden van de aandacht en het geheugen en zij niet zelf administratieve zaken kan regelen. Het college heeft er verder nog op gewezen dat appellante met Stichting MEE zou kunnen kijken of een vrijwilliger ingezet kan worden bij het doen van de boodschappen. Appellante heeft te kennen gegeven dat het niet is gelukt om hiervoor een vrijwilliger te vinden. Gelet hierop kan nog steeds niet worden geoordeeld dat appellante wordt gecompenseerd voor haar beperkingen bij het doen van de boodschappen. In zoverre is met bestreden besluit 2 het gebrek dat aan bestreden besluit 1 kleeft dan ook niet geheeld.

Maaltijdenverzorging

4.3.

Ten aanzien van de maaltijdenverzorging heeft de Raad in de tussenuitspraak overwogen dat niet in geschil is dat appellante gebruik kan maken van een maaltijdenservice, dat de kosten voor de maaltijdenservice niet onevenredig hoog zijn en dat verstrekking van bijzondere bijstand mogelijk is als appellante de kosten van de maaltijdenservice financieel toch niet kan dragen. De grond van appellante dat zij de (extra) kosten die aan een maaltijdenservice zijn verbonden niet kan dragen treft daarom geen doel. Uit het rapport van SCIO blijkt dat appellante lichte beperkingen heeft bij het bereiden van de broodmaaltijden. Zij kan met de linkerhand lichte voorwerpen tillen en dragen, fijne en grove handbewegingen maken en iets pakken/grijpen en reiken. Het college heeft hieraan de conclusie verbonden dat appellante in staat kan worden geacht om de broodmaaltijd te bereiden en appellante heeft dit niet verder bestreden. Appellante kan de (warme) maaltijden niet zelf opwarmen. Om die reden heeft het college appellante gewezen op de maaltijdenservice van Tafeltje Dekje die de maaltijden warm aanlevert. Hiermee heeft het college genoegzaam gemotiveerd dat appellante wordt gecompenseerd in haar beperkingen voor het kunnen nuttigen van de warme maaltijden. De grond dat de maaltijdenservice niet passend is, omdat appellantes broer de warme maaltijden op medische gronden verspreid over de dag moet nuttigen kan niet tot een ander oordeel leiden reeds omdat appellante deze grond niet met medische stukken heeft onderbouwd. Het college heeft het door de Raad geconstateerde gebrek in het bestreden besluit in zoverre hersteld.

Wasverzorging

4.4.

Met betrekking tot het toekennen van tijd voor het doen van de wasverzorging heeft de Raad in de tussenuitspraak overwogen dat geen rekening is gehouden met incontinentieklachten van appellante en het overmatig zweten alsmede het bloedverlies van appellantes broer. In het rapport van SCIO worden deze klachten onderkend en het college heeft om die reden in bestreden besluit 2 in afwijking van het Protocol Indicatiestelling Hulp bij het Huishouden gemeente Cuijk 2012 (Protocol) nogmaals per week 30 minuten extra toegekend voor het doen van de wasverzorging. Hierdoor heeft het college in totaal 2 uur per week toegekend voor het doen van de wasverzorging. Appellante heeft de noodzaak voor dagelijks 30 minuten wasverzorging niet aannemelijk gemaakt, zodat geen aanleiding bestaat voor het toekennen van meer tijd voor de wasverzorging. Het college heeft het gebrek in bestreden besluit 2 ook in zoverre genoegzaam hersteld.

4.5.

Appellante heeft nog aangevoerd dat vanwege COPD-klachten de woning stofvrij moet worden gehouden, zodat meer tijd moet worden geïndiceerd voor het doen van het zware en lichte huishoudelijke werk. In de tussenuitspraak heeft de Raad hierover al overwogen dat met die klachten door het college rekening is gehouden en dat geen sprake is van dusdanig ernstige COPD-klachten dat de woning stofvrij zou moeten worden gehouden. Voor een ander oordeel hierover bestaat geen aanleiding. Met ingang van 10 augustus 2014 heeft het college de voorziening voor de hulp bij het huishouden voortgezet in de vorm van zorg in natura. Dat heeft het college neergelegd in een besluit van 3 juli 2014. Appellante heeft in de onderhavige procedure verzocht om de voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget toegekend te krijgen. De wijziging dan wel toekenning van de voorziening voor de hulp bij het huishouden in de vorm van zorg in natura heeft echter geen grondslag in de bestreden besluiten 1 en 2, maar in het besluit van 3 juli 2014 dat nu niet ter toetsing voorligt, zodat dit buiten het door de Raad te beoordelen geschil valt.

4.6.

Uit 4.2 volgt dat de door de Raad geconstateerde gebreken met het bestreden besluit 2 niet zijn geheeld voor wat betreft het doen van boodschappen. De Raad acht het gelet op de omstandigheden van deze zaak en het tijdsverloop niet raadzaam om weer een tussenuitspraak te doen waarbij het college gelegenheid wordt geboden om het gebrek dat aan het bestreden besluit 2 kleeft, te herstellen. De Raad stelt vast dat het dossier voldoende gegevens bevat op grond waarvan het voor de Raad mogelijk is zelf voorziend vast te stellen in welke omvang de voorziening in de vorm van hulp bij het huishouden moet worden toegekend. Dit verdient mede uit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting de voorkeur.

4.7.

Voor het zelf voorzien is het volgende van belang. Bij koninklijk besluit van 18 juli 2014 is bepaald dat de Wmo 2015 in werking treedt op 19 juli 2014, met uitzondering van de artikelen 1.1.2, 1.2.1, 1.2.2, 2.1.1, en 2.2.2, 2.3.1, 4.1.1 tot en met 4.3.4, 7.1 tot en met 7.23 en 7.25 tot en met 7.37, 8.1, 8.9, eerste tot en met vierde lid, en 8.10, die in werking treden met ingang van 1 januari 2015. Artikel 8.9, eerste lid, van Wmo 2015 bepaalt, voor zover hier van belang, dat de Wmo wordt ingetrokken. Het in artikel 8.9, eerste en tweede lid, van de Wmo 2015 geregelde overgangsrecht dient, gelezen in samenhang met de wetsgeschiedenis, zo te worden begrepen, dat onder de Wmo toegekende aanspraken en verplichtingen blijven gelden tot het moment waarop zij op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wmo 2015 worden gewijzigd of beëindigd. Voor lopende gedingen tegen besluiten genomen op grond van de Wmo geldt dat daarop het bepaalde bij en krachtens de Wmo onverkort van toepassing blijft. Voor deze uitleg wordt steun gevonden in de algemene toelichting en de artikelsgewijze toelichting op de artikel (Kamerstukken II 2013/14, nr. 3, blz. 83-84 en 203-204).

4.8.

Het college heeft desgevraagd te kennen gegeven dat besluitvorming tot wijziging of beëindiging van de onder de Wmo toegekende aanspraak op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wmo 2015 niet heeft plaatsgevonden. Om die reden zal in dit geding het bepaalde bij en krachtens de Wmo van toepassing blijven en kan worden aangesloten bij het Protocol.

4.9.

De Raad houdt het ervoor dat de beperkingen die appellante heeft bij het doen van de boodschappen moeten worden gecompenseerd door middel van het toekennen van tijd daarvoor. Op grond van het Protocol kunnen daarvoor in totaal 60 minuten per week worden toegekend. Dit betekent dat aan appellante 7 uur per week hulp bij het huishouden moet worden toegekend voor de periode van 2 december 2013 tot 15 juli 2018 of tot de datum per wanneer het college een besluit op grond van de Wmo 2015 neemt.

4.10.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak wordt vernietigd, het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk zal worden verklaard en het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond. Bestreden besluit 2 zal worden vernietigd voor zover het de toegekende hulp bij het huishouden betreft. De Raad zal zelf voorzien zoals weergegeven in 4.9 en bepalen dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van bestreden besluit 2.

5. De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 992,- in bezwaar, op € 992,- in beroep en op € 1.488,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond en vernietigt dat besluit, voor zover het de toegekende hulp bij het huishouden betreft;

  • -

    bepaalt dat appellante in aanmerking komt voor hulp bij het huishouden zoals is vermeld in 4.9 en bepaalt dat deze uitspaak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van bestreden besluit 2;

  • -

    veroordeelt het college tot vergoeding van de kosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 3.472,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter in tegenwoordigheid van

M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2016.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) M.D.F. de Moor

MO