Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2443

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-06-2016
Datum publicatie
30-06-2016
Zaaknummer
13-5480 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De overwegingen en het oordeel van de rechtbank, dat appellant op de datum in geding geschikt is voor de maatgevende arbeid worden onderschreven. Het in hoger beroep overgelegde rapport van psychiater leidt niet tot twijfel aan de juistheid van dit oordeel. Diagnose niet doorslaggevend voor belastbaarheid. Onvoldoende toelichting geringere belastbaarheid. Lage GAF-score is volgens vaste rechtspraak niet maatgevend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0678
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5480 ZW

Datum uitspraak: 23 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

29 augustus 2013, 12/1803 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingediend, waarop het Uwv heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2016. Namens appellant is

mr. Cornelisse verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.W.A. Blind.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontving sinds 5 februari 2008 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Vanuit een situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, heeft appellant zich op 7 mei 2012 ziekgemeld met psychische klachten. Hierop is appellant in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

Bij besluit van 23 augustus 2012 heeft het Uwv appellant bericht dat hij met ingang van diezelfde datum geen recht meer heeft op een ZW-uitkering. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 1 november 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank als volgt overwogen.

2.1.

Blijkens het rapport van de verzekeringsarts heeft appellant zich ziekgemeld wegens een verklaring van zijn behandelend psychiater, J.G. Upmeijer, die over een psychotische episode spreekt. Omdat de verzekeringsarts tijdens het spreekuur geen tekenen zag van een psychose heeft hij een psychiatrische expertise laten verrichten door psychiater J. Hondema. Deze heeft op 15 augustus 2012 gerapporteerd dat bij appellant sprake was van een aanpassingsstoornis, waarvoor in de rubriek persoonlijk functioneren geen beperkingen worden gevonden, maar voor het sociale functioneren wel. Met deze beperkingen moet appellant geschikt worden geacht om een van de in het kader van de WAO-beoordeling geduide functies te verrichten.

2.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij zijn onderzoek geconstateerd dat appellant adequaat in contact is en dat er geen aanwijzingen zijn voor een depressief syndroom. Psychiater Upmeijer heeft in zijn brief van 25 oktober 2012 gemeld dat er sprake is van een depressie met psychotische kenmerken en een impulsstoornis. Psychiater Upmeijer heeft geen adviezen voor werkbelasting gegeven, maar kan zich vinden in de uitspraak “zonder grote belasting op sociaal terrein”. De te stellen beperkingen waren reeds bekend ten tijde van de WAO-beoordeling en hebben geleid tot de in dat verband geduide functies.

2.3.

De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen reden is om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen, noch aan de uitkomsten daarvan, en voorts dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende heeft gemotiveerd dat de informatie van psychiater Upmeijer zich niet verzet tegen het oordeel dat appellant per datum in geding voldoende belastbaar moet worden geacht om één van de eerder geduide functies te verrichten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv appellant terecht geschikt geacht om met ingang van 23 augustus 2012 zijn arbeid te verrichten.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant bestreden dat hij per 23 augustus 2012 weer geschikt was om zijn arbeid te verrichten. Volgens appellant had de informatie van psychiater Upmeijer van 9 februari 2012 en 25 oktober 2012 reden moeten zijn voor twijfel aan de door psychiater Hondema gestelde diagnose en de uitkomsten van het medisch onderzoek. De rechtbank heeft hierin ten onrechte geen aanleiding gezien om een deskundige in te schakelen. Appellant acht zich in zijn standpunt gesteund door de bevindingen van de door hem ingeschakelde psychiater H.L.S.M. Busard, van wie hij in hoger beroep een rapport heeft ingebracht. Appellant verzoekt de Raad om alsnog een psychiatrische expertise te gelasten.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. In de overgelegde expertise van psychiater Busard heeft het Uwv geen aanleiding gezien voor het innemen van een ander standpunt, omdat bij de voorgaande medische beoordelingen rekening is gehouden met psychische beperkingen van appellant.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat het Uwv terecht als maatstaf arbeid ten minste één van de laatstelijk in het kader van de WAO geduide functies heeft aangemerkt. In hoger beroep speelt met name de vraag of het Uwv de belastbaarheid van appellant heeft overschat en appellant per 23 augustus 2012 in staat was zijn arbeid te verrichten.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank, dat appellant op de datum in geding geschikt is voor de maatgevende arbeid, en de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid, worden onderschreven. Voor dit oordeel is van belang dat de verzekeringsartsen appellant omstreeks de datum in geding hebben onderzocht, goed contact hadden met appellant en geen tekenen van een psychose of een depressief syndroom hebben kunnen waarnemen. Psychiater Hondema heeft appellant in het kader van een psychiatrische expertise gezien op 23 juli 2012, net voor de datum in geding. Psychiater Hondema stelt als diagnose dat appellant lijdt aan een aanpassingsstoornis, welke is op te vatten als een lichte problematiek die niet gepaard gaat met forse afwijkingen. Naar aanleiding van deze bevindingen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij brief van 27 september 2012 psychiater Upmeijer benaderd. In deze brief heeft hij psychiater Upmeijer de uitkomst van het onderzoek van psychiater Hondema en zijn eigen bevindingen voorgehouden en hem vervolgens de vraag gesteld of hij appellant adviezen heeft gegeven over werkbelasting of het verrichten van arbeid en in dit verband erop gewezen dat appellant eerder in bezwaar en beroep ondanks psychische klachten geschikt is geacht voor werk zonder grote belasting op het sociale terrein. De rechtbank heeft terecht overwogen dat psychiater Upmeijer in zijn brief van 25 oktober 2012 heeft geschreven appellant geen adviezen te hebben gegeven voor werkbelasting, maar zich te kunnen vinden in de uitspraak “zonder grote belasting op sociaal terrein”. Psychiater Upmeijer heeft zijn reactie nadien ook niet meer bijgesteld of nader toegelicht in de zin dat appellant minder belastbaar is te achten. Uit dit samenstel van bevindingen heeft het Uwv terecht kunnen afleiden dat appellant op 23 augustus 2012 geschikt was om zijn arbeid te verrichten.

4.4.

Het door appellant in hoger beroep overgelegde rapport van psychiater Busard leidt niet tot twijfel aan de juistheid van dit oordeel. Psychiater Busard heeft appellant bijna twee jaren na de datum in geding onderzocht en heeft zich daarbij op dezelfde medische stukken en omstandigheden gebaseerd als de verzekeringsartsen en psychiater Hondema. Tijdens zijn onderzoek heeft psychiater Busard, evenals de verzekeringsartsen en psychiater Hondema, geen ernstig depressieve man aangetroffen en ook geen tekenen van een psychose waargenomen. Psychiater Busard verwijst in zijn rapport ook grotendeels naar het rapport van psychiater Hondema en meent dat het onderzoek van het Uwv zonder twijfel zorgvuldig is geweest. Vervolgens komt psychiater Busard tot de diagnose “depressie, chronisch, op medicatie deels in remissie” en ziet hij “aanwijzingen voor een posttraumatische stress-stoornis” ten gevolge van live-events in 1994-1995. Deze diagnose wijkt weliswaar af van de door psychiater Hondema gestelde diagnose (aanpassingsstoornis, niet gespecificeerd), maar volgens vaste rechtspraak is het stellen van een diagnose niet doorslaggevend voor het vaststellen van de belastbaarheid van appellant (zie bijv. ECLI:NL:CRVB:2012:BX2679). Tegen deze achtergrond en wat is overwogen in 4.3 is door psychiater Busard onvoldoende toegelicht waarom de belastbaarheid van appellant geringer zou zijn op de datum in geding dan vastgesteld door het Uwv.

4.5.

De omstandigheid dat psychiater Busard tot een lage GAF-score (40/50) komt, is volgens vaste rechtspraak niet maatgevend bij het beoordelen van de belastbaarheid van een betrokkene in het kader van arbeidsongeschiktheid. Het GAF-systeem is bedoeld om in het kader van een behandeling enig handvat te geven voor beoordeling van het beloop daarvan (zie ECLI:NL:CRVB:2012:BW1513). Dat de beoordeling door psychiater Busard afwijkt van die van psychiater Hondema rondom de datum in geding (een GAF-score van 70) en die van psychiater P. Naarding tijdens een eerder psychiatrisch onderzoek op 17 juni 2010 behoeft dan ook geen nadere bespreking.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om een onafhankelijke deskundige te benoemen niet ingewilligd wordt, aangezien de daarvoor noodzakelijke twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling ontbreekt.

4.7.

Wat onder 4.3 tot en met 4.6 is overwogen, leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een kostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en C.C.W. Lange en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2016.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) N. Veenstra

JL