Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2442

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-06-2016
Datum publicatie
04-07-2016
Zaaknummer
14/5761 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Gezamenlijke huishouding. Bewoning boven- en benedenwoning. Gebruik woningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5761 WWB

Datum uitspraak: 21 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

7 oktober 2014, 14/114 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Leudal (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Verstraten. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E. Barentsen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 22 april 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellant staat in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) [thans basisregistratie personen] sinds

1 maart 2010 ingeschreven op het adres [benedenwoning] te [woonplaats] (benedenwoning). Vanaf

27 september 2010 staat tevens de zoon van appellant op dit adres ingeschreven. Op het adres [bovenwoning] te [woonplaats] (bovenwoning) staat sinds 3 maart 2010 [naam L] (L) ingeschreven. Haar zoon, [naam zoon] (M), heeft in de periode van 5 maart 2010 tot 21 januari 2011 eveneens op dit adres ingeschreven gestaan.

1.2.

Naar aanleiding van een melding dat appellant samenwoont met L heeft de sociale recherche van de gemeente Leudal een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, zijn getuigen gehoord en heeft een huisbezoek plaatsgevonden op de adressen [benedenwoning] en [bovenwoning] te [woonplaats] . Bij die gelegenheid hebben appellant en L tevens verklaringen afgelegd. Tot slot is kennis genomen van het proces-verbaal van getuigenverhoor van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 april 2013, welk verhoor heeft plaatsgevonden in het kader van een alimentatieprocedure tussen L en haar ex-echtgenoot. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een ‘rapportage beëindiging WWB’ van 18 april 2013.

1.3.

Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 23 april 2013 de bijstand van appellant met ingang van 22 april 2010 ingetrokken en de over de periode van

22 april 2010 tot en met 31 maart 2013 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 52.405,52 van hem teruggevorderd. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het voeren van een gezamenlijke huishouding met L, als gevolg waarvan hij geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 15 mei 2013 heeft het college het terugvorderingsbedrag gecorrigeerd en vastgesteld op € 53.251,62.

1.4.

Op 8 mei 2013 heeft appellant opnieuw bijstand aangevraagd. In het kader van de beoordeling van deze aanvraag heeft de sociale recherche op 6 juni 2013 een huisbezoek afgelegd. Bij die gelegenheid heeft appellant verklaard dat de situatie ten opzichte van het tijdstip van de intrekking van bijstand niet is gewijzigd.

1.5.

Bij besluit van 7 juni 2013 heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen.

1.6.

Bij besluit van 18 december 2013 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 23 april 2013, 15 mei 2013 en 7 juni 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant betwist dat hij in de periode in geding een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met L. Zij hebben niet hun hoofdverblijf in dezelfde woning gehad en evenmin is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering

4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 22 april 2010 tot en met 23 april 2013, de datum van het intrekkings- en terugvorderingsbesluit.

4.2.

In hoger beroep ligt de vraag ter beantwoording voor of voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat appellant en L in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

4.3.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.4.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Appellant en L stonden in de te beoordelen periode op verschillende adressen in de GBA ingeschreven. Dat gegeven staat op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning op één van die adressen. Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:556. Bij het aanhouden van afzonderlijke adressen zal aannemelijk moeten zijn dat hetzelfde adres als hoofdverblijf van beiden fungeert.

4.5.

Niet in geschil is dat appellant een huurcontract heeft voor de benedenwoning en L voor de bovenwoning. Met betrekking tot het gebruik van de woningen hebben appellant en L verklaard dat zij vanaf het begin gezamenlijk gebruik hebben gemaakt van de woonkamer en keuken in de benedenwoning, alsmede van de zolder behorend bij de bovenwoning. De slaapkamer in de bovenwoning wordt gebruikt door de zoon van L en de keuken in deze woning wordt niet als zodanig gebruikt. De woonkamer in de bovenwoning is in gebruik als (tweede) slaapkamer. Appellant en L hebben voorts verklaard dat zij, in verband met gezondheidsklachten van L, na enkele maanden van woning hebben geruild. Dit zou er toe hebben geleid dat appellant, samen met zijn zoon, gebruik is gaan maken van de slaap- en badkamer in de bovenwoning en L van deze ruimtes in de benedenwoning. Ook na deze woningruil, die overigens niet heeft geleid tot een wijziging van het huurcontract of inschrijving in de GBA, is M, de zoon van L, de (andere) slaapkamer in de bovenwoning blijven gebruiken. M heeft, in het kader van het getuigenverhoor bij het gerechtshof, onder meer het volgende verklaard:

“Mijn moeder en de [appellant] gingen wonen in een huis wat een bed & breakfast had moeten worden, met een boven- en een benedenwoning. Ik was toen 17 jaar, ze vertelde mij dat we daar een goed leven zouden krijgen. De bedoeling was dat we daar zouden wonen met de [appellant] en zijn kinderen, dus met z’n allen in één huis. Het was niet de bedoeling dat ik met mijn moeder een eigen woning zou hebben en de [appellant] de andere woning.

U vraagt mij om een indeling van het huis, beneden achter de keuken sliepen de [appellant] en mijn moeder, ik sliep boven aan de voorkant van het huis en aan de achterkant sliep de zoon van de [appellant] . […] Ik heb nooit meegemaakt in de tijd dat ik daar woonde dat mijn moeder en de [appellant] niet samen sliepen. ”

Ook de (ex-)vriendin van M, heeft op 11 maart 2013 verklaard dat appellant en L samen gebruik maakten van de slaap- en badkamer in de benedenwoning. De slaapkamers in de bovenwoning waren in gebruik bij M en de zoon van L. De neef van L, [naam neef] , heeft op 28 februari 2013 verklaard dat hij met regelmaat zijn neef (M) bezocht op de [adres] te [woonplaats] , waarbij gebruik werd gemaakt van de woonkamer en keuken op de benedenverdieping en dat de slaapkamer van appellant en L was gelegen in de benedenwoning achter de keuken. Appellant heeft aangevoerd dat geen waarde kan worden toegekend aan de verklaringen van de familieleden, nu deze enkel tot doel hebben gehad om L zoveel mogelijk financiële schade toe te brengen en de vriendschappelijke band tussen appellant en L te doen eindigen. Voor zover appellant hiermee de betrouwbaarheid van deze verklaringen in twijfel trekt, bestaat hiervoor geen grond. De verklaringen zijn eenduidig en consistent en er zijn geen aanwijzingen die erop duiden dat de inhoud van de verklaringen onjuist is.

4.6.

Gelet op de onder 4.5 genoemde verklaringen is de conclusie gerechtvaardigd dat het dagelijks leven van zowel appellant als L zich afspeelde in de benedenwoning. Hiermee heeft het college aannemelijk gemaakt dat appellant en L gedurende de te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

4.7.

Het tweede criterium is de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.8.

De onderzoeksbevindingen bieden voldoende feitelijke grondslag voor het aannemen van wederzijdse zorg. Appellant en L hebben, samengevat, verklaard dat appellant de auto van L mag gebruiken, dat hij L helpt met de boodschappen in verband met haar straatvrees en haar meeneemt naar vrienden. Appellant maakt gebruik van de spullen van L in de woonkamer en appellant en L maken beiden gebruik van de wasmachine van appellant en de droger van L. Voorts is geen sprake geweest van een financiële compensatie tussen appellant en L na de gestelde woningruil. Dit terwijl de huur van de bovenwoning hoger was dan van de benedenwoning.

4.9.

Met de rechtbank, en anders dan appellant, wordt geoordeeld dat de in het dossier aanwezige verklaringen van de thuisbegeleiders van L niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Beiden hebben verklaard dat zij L in haar woning bezochten en hebben waargenomen dat L alleen woonde. Eveneens hebben zij verklaard dat L beschikte over een eigen inkomen waarmee zij voorzag in de kosten van levensonderhoud. Aan deze verklaringen kan echter geen zwaarwegende betekenis worden toegekend nu de contacten altijd op afspraak plaatsvonden en niet gebleken is dat de thuisbegeleiders een volledig inzicht hadden in de woon- en leefsituatie van L en in haar financiële administratie.

4.10.

Ook aan de bevindingen van het onderzoek van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in oktober 2011, waarbij is geconcludeerd dat niet kan worden vastgesteld dat L in de periode voorafgaand aan 31 mei 2010 samenwoonde, kan niet die betekenis worden toegekend die appellant daaraan wenst toe te kennen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het onderzoek enkel zag op de periode vóór 31 mei 2010 en dat sprake was van zeer beperkte onderzoeksactiviteiten.

4.11.

Uit 4.3 tot en met 4.10 volgt dat appellant in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding met L heeft gevoerd, zonder hiervan melding te maken aan het college. Als gevolg hiervan had appellant in de hier te beoordelen periode niet als zelfstandig subject recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

Nieuwe aanvraag

4.12.

De hier te beoordelen periode loopt van 8 mei 2013 tot en met 7 juni 2013, de datum van het afwijzingsbesluit.

4.13.

Indien periodieke bijstand is beëindigd of ingetrokken en de betrokkene een aanvraag indient gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat hij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand.

4.14.

Bij de aanvraag om bijstand heeft appellant verklaard dat de feitelijke situatie ten opzichte van het tijdstip van de intrekking van bijstand niet is gewijzigd. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant herhaald dat in de feitelijke situatie geen wijzigingen zijn opgetreden, maar dat appellant enkel de inschrijving in de GBA heeft gewijzigd in [bovenwoning] te [woonplaats] . Daarmee heeft appellant niet aangetoond dat in de te beoordelen periode sprake is geweest van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat appellant met ingang van 8 mei 2013 wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Het college heeft de aanvraag om bijstand dan ook terecht afgewezen.

4.15.

Uit 4.3 tot en met 4.14 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en A. Stehouwer en

W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2016.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) M.S. Spek

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.

sg