Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2437

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
04-07-2016
Zaaknummer
15/828 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Niet woonachtig op opgegeven adres. Onderzoek naar verkeerde woonkamer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/828 WWB

Datum uitspraak: 28 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 december 2014, 14/7157 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G. Groen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2016. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Darwish-Willeboordse.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 18 maart 2013 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Appellant stond in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA), thans Basisregistratie personen, ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Omdat voor dit adres een vergunning was afgegeven voor kamerverhuur voor maximaal vier personen en in de GBA vijf personen stonden ingeschreven, hebben medewerkers van de Dienst SZW, Afdeling Bijzonder Onderzoek (ABO), op 12 december 2013 in het kader van het project “Haagse Pand Brigade” een huisbezoek afgelegd aan de woning op het uitkeringsadres. De bevindingen van het huisbezoek zijn neergelegd in een rapportageformulier van 16 december 2013.

1.3.

Bij besluit van 14 januari 2014 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2014 ingetrokken op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat de bijstand van appellant was opgeschort en appellant niet binnen de geboden hersteltermijn stukken heeft ingediend.

1.4.

Op 17 januari 2014 heeft appellant een gesprek gehad met medewerkers van de ABO. Tijdens dat gesprek heeft appellant verklaard over zijn woonsituatie en heeft aansluitend een huisbezoek plaatsgevonden aan de woning op het uitkeringsadres. De bevindingen van dit huisbezoek zijn neergelegd in een rapportageformulier van 21 januari 2014.

1.5.

Bij besluit van 24 januari 2014 heeft het college de bijstand van appellant over de periode van 12 december 2013 tot en met 31 december 2013 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 486,72 van appellant teruggevorderd. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat uit onderzoek en huisbezoeken is gebleken dat appellant niet woont op het uitkeringsadres.

1.6.

Bij besluit van 3 februari 2014 heeft het college het bedrag van de terugvordering gewijzigd door het terugvorderingsbedrag te bruteren tot een bedrag van € 601,81.

1.7.

Op 4 februari 2014 heeft appellant een aanvraag om bijstand ingediend.

1.8.

Bij besluit van 21 februari 2014 heeft het college appellant een boete opgelegd van

€ 490,- wegens schending van de inlichtingenverplichting.

1.9.

Bij besluit van 6 maart 2014 heeft het college de aanvraag van 4 februari 2014 buiten behandeling gesteld.

1.10.

Het college heeft bij besluit van 23 juni 2014 (het bestreden besluit) de bezwaren tegen de besluiten van 14 januari 2014, 24 januari 2014, 3 februari 2014, 21 februari 2014 en

6 maart 2014 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt, voor zover hier van belang, ten grondslag dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanaf 12 december 2013 woonachtig is op het uitkeringsadres. Onduidelijk is waar hij feitelijk wel woonachtig is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover dat de hoogte van de boete betreft, het besluit van 21 februari 2014 herroepen, bepaald dat de aangevallen uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit en een boete van € 370,- opgelegd.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft allereerst aangevoerd dat het college de bijstand niet op grond van

artikel 54, vierde lid, van de WWB mocht intrekken, omdat van een opschorting geen sprake is geweest.

4.2.

Deze grond slaagt niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college in het bestreden besluit de grondslag van het besluit van 14 januari 2014 heeft gewijzigd naar

artikel 54, derde lid, van de WWB.

4.3.

Appellant heeft voorts betwist dat de onderzoeksgegevens een toereikende grondslag bieden voor de conclusie van het college dat hij in de te beoordelen periode van 12 december 2013 tot en met 14 januari 2014 niet op het uitkeringsadres woonde.

4.4.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.5.

Omdat de te beoordelen periode van 12 december 2013 tot en met 14 januari 2014 loopt, kunnen de feitelijke constateringen ten tijde van het huisbezoek op 17 januari 2014, die buiten de beoordelingsperiode plaatsvonden, niet bijdragen aan het standpunt van het college dat appellant in de te beoordelen periode niet op het uitkeringsadres woonachtig was.

4.6.

Uit het in 1.2 vermelde rapportageformulier van 16 december 2013, dat de grondslag vormt voor de besluitvorming van het college, blijkt het volgende. Het uitkeringsadres betreft een vierkamerwoning, waarvoor een vergunning voor kamerverhuur is afgegeven voor maximaal vier personen. In de GBA staan op dat adres vijf personen ingeschreven. De heer [naam E] (E) laat de rapporteurs op 12 december 2013 de woning binnen. E laat zijn kamer zien, welke kamer is gelegen links van de trap, aan de straatzijde van de woning. Er worden geen andere bewoners aangetroffen. Via de keuken komen de rapporteurs op het balkon en vanaf het balkon is de kamer rechts van de keuken te zien. Deze kamer is leeg, met uitzondering van een stapel brieven op de radiator. Van de kamer aan de andere kant van de keuken zijn de gordijnen dicht en de rapporteurs kunnen deze kamer verder niet zien. Via het sleutelgat lijkt de kamer leeg. De rapporteurs kunnen de vierde kamer, gelegen aan de straatzijde niet zien. Onderaan de trap van de woning ligt een stapel post, onder andere bestemd voor appellant. Na het huisbezoek heeft één van de rapporteurs contact opgenomen met de verhuurder van de woning, de heer [naam S] (S). S verklaart dat de kamer rechts van de keuken wordt bewoond door appellant. S heeft later, op 13 december 2013, de voicemail van een rapporteur ingesproken en gezegd dat hij in de woning is geweest en dat de kamer rechts van de keuken leeg is.

4.7.

De door S en appellant ondertekende huurovereenkomst van 12 april 2013 omschrijft de door appellant gehuurde woonruimte op het uitkeringsadres als: “een kamer op de 2e etage (rechts achter)”.

4.8.

Op 17 januari 2014 heeft appellant verklaard dat de door hem gehuurde kamer is gelegen aan de achterzijde van de woning, links van de keuken.

4.9.

Het dossier bevat geen situatietekening van het uitkeringsadres, waarop de vier kamers van de woning zijn ingetekend. Niet duidelijk is of de kamer die in de huurovereenkomst wordt beschreven, dezelfde kamer is als de kamer die appellant stelt te huren. Immers in de huuroverkomst betreft het gehuurde een kamer rechtsachter, terwijl appellant op 17 januari 2014 heeft verklaard dat zijn kamer links van de keuken is gelegen. Ervan uitgaande dat S in zijn voicemail en de rapporteurs in het rapportageformulier het hebben over de in de huurovereenkomst bedoelde kamer rechtsachter, moet worden vastgesteld dat geen onderzoek is gedaan naar de kamer waarvan appellant stelt dat hij deze (feitelijk) huurt, zijnde de kamer links van de keuken. Het is bovendien nog maar de vraag of de kamer die door de rapporteurs als leeg is omschreven dezelfde kamer is als de kamer in de voicemail van S. Het door S ingesproken bericht betreft de kamer rechts van de keuken. De rapporteurs verklaren dat vanaf het balkon de kamer rechts van de keuken is te zien, maar omdat een situatietekening ontbreekt en de rapporteurs hun waarnemingen vanaf het balkon hebben uitgevoerd, kan niet worden uitgesloten dat, vanwege het verschil in perspectief, de rapporteurs en S het niet over dezelfde kamer hebben. Het summiere onderzoek roept gelet hierop te veel vragen op, die niet worden beantwoord. Dit wordt niet anders met de verklaring van de heer [naam H] , een bewoner die tijdens het huisbezoek aan de woning op het uitkeringsadres op 17 januari 2014 heeft verklaard dat de kamers aan de achterzijde van de woning leeg zijn. Hij verklaart immers in de tegenwoordige tijd. Ook is de verklaring onvoldoende feitelijk. Het college heeft gelet hierop niet aannemelijk gemaakt dat appellant in de te beoordelen periode niet woonachtig was op het uitkeringsadres.

4.10.

Uit 4.9 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Aansluitend moet worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Omdat, gelet op het tijdsverloop, nader onderzoek naar het woonadres van appellant in de te beoordelen periode niet zinvol is, zal de Raad tevens met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien door de besluiten van 14 januari 2014, 24 januari 2014, 3 februari 2014, en 21 februari 2014, waaraan in zoverre hetzelfde niet te herstellen gebrek kleeft, te herroepen. Omdat daarmee de grondslag voor het doen van een nieuwe aanvraag ontbreekt, is ook de grondslag aan het besluit van 6 maart 2014 komen te ontvallen en hoeft wat appellant tegen het buiten behandeling stellen van de nieuwe aanvraag heeft aangevoerd, geen bespreking meer. De Raad zal ook het besluit van 6 maart 2014 herroepen.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 2.480,- in bezwaar (vier punten in verband met vijf bezwaarschriften, waarvan twee samenhangend, en een punt voor het bijwonen van de hoorzitting), € 496,- in beroep en € 496,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal dus € 3.472,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- vernietigt het besluit van 23 juni 2014;

- herroept de besluiten van 14 januari 2014, 24 januari 2014, 3 februari 2014, 21 februari 2014
en 6 maart 2014 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit
van 23 juni 2014;

- veroordeelt het college tot vergoeding van de kosten van appellant tot een bedrag van
€ 3.472,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van
€ 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en M. ter Brugge en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2016.

(getekend) P.W. van Straalen

De griffier is buiten staat te onderteken

IJ