Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2436

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
04-07-2016
Zaaknummer
14/6598 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten experimentele behandeling borstkanker. Geen acute levensbedreigende situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6598 WWB, 15/7111 PW

Datum uitspraak: 28 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van

21 november 2014, 14/5941 (aangevallen uitspraak 1) en van 20 oktober 2015, 15/4552 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Delft (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M. Dezfouli, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 17 mei 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dezfouli. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door S. Pitschul.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Zijn echtgenote, [naam echtgenote M] (M), leed aan borstkanker waarvoor in Nederland geen behandeling meer mogelijk was. Zij is in de periode van 23 april 2013 tot en met 30 april 2014 verschillende malen (experimenteel) behandeld voor borstkanker in het [naam ziekenhuis] te [plaatsnaam] in Duitsland. Haar zorgverzekeraar heeft geweigerd de kosten hiervan te vergoeden, omdat de behandelingen niet zijn opgenomen in het verstrekkingenpakket. M is op 14 mei 2014 overleden.

1.2.

Op 3 juli 2013 heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van medische behandeling van M in het buitenland.

1.3.

Bij besluit van 9 juli 2013, herzien bij besluit van 23 juli 2013, heeft het college de aanvraag afgewezen op grond van artikel 15, eerste lid, van de WWB.

1.4.

Bij uitspraak van 30 juli 2013 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het besluit van 23 juli 2013 onrechtmatig, omdat het college de aanvraag ten onrechte niet heeft getoetst aan artikel 16, eerste lid, van de WWB en geen medische gegevens van M heeft opgevraagd. De voorzieningenrechter heeft bepaald dat met ingang van 9 juli 2013 maximaal € 750,- (het uiteindelijke bedrag per behandeling wordt gebaseerd op door M in te dienen en door het college te verifiëren facturen) door het college aan M wordt vergoed.

1.5.

Ter uitvoering van de uitspraak van de voorzieningenrechter heeft het college Argonaut Advies BV (Argonaut) verzocht medisch advies uit te brengen met als vraagstelling of ten tijde van de behandelingen sprake was van een acute levensbedreigende noodsituatie waarbij de in Duitsland toegepaste therapie medisch aangewezen was en als zodanig noodzakelijk zodat bijstandsverlening onvermijdelijk was. Op 23 september 2013 heeft Argonaut een rapportage sociaal medische advisering uitgebracht. Hierin wordt, zakelijk weergegeven, geconcludeerd dat op 23 en 24 april 2013 sprake was van een acute levensbedreigende situatie. In het [naam ziekenhuis] in Duitsland zijn op 23 en 24 april 2013 vanwege hevige benauwdheid van M haar beide longen gedraineerd. Later werd als onderdeel van de behandeling op 25 en 26 juni 2013 een drainage van de rechterlong verricht. Medisch gezien is bijstandsverlening voor de drainages onvermijdelijk. Wat betreft de op de drainages volgende toediening van medicamenten is medisch gezien geen sprake van een acute levensbedreigende noodsituatie, waarbij bijstandsverlening noodzakelijk is.

1.6.

Naar aanleiding van de hoorzitting heeft het college Argonaut verzocht om een aanvullend medisch advies, met als vraagstelling of de behandeling die M op 25 en 26 juni 2013 in Duitsland heeft ondergaan heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een levensbedreigende situatie en of deze behandeling ook in Nederland had kunnen worden uitgevoerd. Op 22 februari 2014 heeft Argonaut een rapportage medisch onderzoek uitgebracht. Hierin wordt, zakelijk weergegeven, geconcludeerd dat M op 25 juni 2013 forse lichamelijke klachten had, maar dat geen sprake was van een direct levensbedreigende situatie zoals op 23 en 24 april 2013. Het betrof een geplande opname voor een behandeling met medicamenten, waarnaast de aanwezige ernstige symptomen duidelijk verlicht werden door een ingreep (drainage). Deze ingreep had ook in Nederland kunnen plaatsvinden. De behandeling met medicamenten wordt niet in Nederland uitgevoerd.

1.7.

Gedurende de bezwaarprocedure heeft het college op basis van door appellant ingediende declaraties in verband met de behandelingen van M over de periode van augustus 2013 tot en met 20 juni 2014 in totaal een bedrag van € 11.943,40 aan bijzondere bijstand voor de kosten van behandeling, overnachtingen in Duitsland en reiskosten aan appellant en M uitbetaald. Daarbij heeft het college meegedeeld dat de betalingen plaatsvinden op grond van de uitspraak van de voorzieningenrechter en dat de verstrekte gelden mogelijk kunnen worden teruggevorderd.

1.8.

Bij besluit van 3 juli 2014 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 9 juli 2013 (lees: 23 juli 2013) gegrond verklaard en dit besluit in zoverre herroepen dat bijzondere bijstand wordt toegekend tot een bedrag van € 1.500,- voor de kosten van de medische behandeling op 23 en 24 april 2013.

2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

3.1.

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft het college bij besluit van 12 januari 2015 een bedrag van € 11.943,40 aan bijzondere bijstand van appellant teruggevorderd.

3.2.

Bij besluit van 12 juni 2015 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 12 januari 2015 ongegrond verklaard en ambtshalve de terugvordering verlaagd naar een bedrag van € 10.443,40, omdat recht bestaat op bijzondere bijstand tot een bedrag van € 1.500,-.

4. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

5. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken 1 en 2 gekeerd.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1.

Niet in geschil is dat artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de WWB in de weg staat aan toekenning van bijzondere bijstand voor de kosten van de experimentele behandeling van M.

6.2.

Artikel 16, eerste lid, van de WWB biedt de mogelijkheid om in afwijking van artikel 15 van de WWB bijstand te verlenen indien, gelet op alle omstandigheden, zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Voor zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB dient vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 27 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4808) is een acute noodsituatie aan de orde indien een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben.

6.3.

Tussen partijen is in geschil of voor de kosten van de experimentele behandeling van M op grond van zeer dringende redenen bijzondere bijstand kan worden verleend.

6.4.

Uit de medische rapportages van Argonaut blijkt dat M aan een levensbedreigende ziekte leed waarvoor in Nederland geen reguliere behandeling meer mogelijk was. M heeft tijdens een bezoek in Duitsland in april 2013 last gekregen van benauwdheid. De behandeling op

23 en 24 april 2013, waarbij vier liter vocht uit haar longen werd verwijderd, was volgens Argonaut noodzakelijk om een acute medische noodsituatie te voorkomen. De behandelend arts in Duitsland, [naam arts F] (F), heeft vervolgens een behandeling ingesteld met injecties in de borstwand met 5-FU in combinatie met een intraveneuze toediening van twee chemotherapeutica. Dit betreft een experimentele behandeling die niet bekend is bij de oncoloog van M in Nederland.

6.5.

Op 25 en 26 juni 2013 is M volgens afspraak weer naar Duitsland gegaan, waar opnieuw een drainage plaatsvond, die gevolgd werd door de toediening van medicijnen. Uit de medische rapportages van Argonaut blijkt dat wat betreft deze drainage geen sprake was van een acuut levensbedreigende situatie, nu het om een geplande behandeling ging die ook in Nederland had kunnen plaatsvinden. Voorts was de ziekte van M weliswaar levensbedreigend, maar appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de experimentele behandeling naar verwachting tot een verbetering van haar lichamelijke situatie zou leiden. Appellant heeft wel gesteld dat de experimentele behandelingen voor M cruciaal waren om in leven te blijven en dat F de enige in de wereld is die deze behandeling toepast, maar hij heeft dit niet met medische gegevens onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt. De enkele stelling dat de klachten van M ten gevolge van de behandeling zijn verminderd en dat zij dankzij de behandelingen langer heeft geleefd is daarvoor onvoldoende. Appellant heeft gelet hierop niet aannemelijk gemaakt dat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk was. Van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB is niet gebleken.

6.6.

Uit 6.5 volgt dat het college de aanvraag, buiten de kosten van de voor de drainage op

23 en 24 april 2013, terecht heeft afgewezen. Hieruit volgt dat de grondslag van het door het college op grond van de voorlopige voorziening aan appellant uitbetaalde bedrag van

€ 10.443,40 is komen te vervallen. Het college was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder e, van de PW dit bedrag van appellant terug te vorderen. De omstandigheid dat appellant een oudere man is, die emotioneel is geraakt door het overlijden van zijn vrouw, vormt geen dringende reden op grond waarvan het college geheel of gedeeltelijke van terugvordering had kunnen afzien als bedoeld in artikel 58,

achtste lid, van de PW.

6.7.

Uit 6.6 volgt dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraken zullen daarom worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en M. ter Brugge en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2016.

(getekend) P.W. van Straalen

De griffier is buiten staat te ondertekenen

IJ