Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2435

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
30-06-2016
Zaaknummer
14/4462 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening ouderdomspensioen. Gezamenlijke huishouding? Geen informed consent. Gegevens onrechtmatig huisbezoek. Bij huisbezoek niet voldaan subsidiariteit. Gesprek had ten kantore kunnen plaatsvinden. Aangezien een redelijke grond voor het afleggen van het huisbezoek ontbreekt, mogen de bevindingen van het huisbezoek niet worden gebruikt bij de beoordeling van het recht op ouderdomspensioen van appellant. Geen deugdelijke motivering. Vernietiging bestreden besluit. De Raad bepaalt dat tegen het nieuwe besluit slechts bij hem beroep kan worden ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4462 AOW

Datum uitspraak: 28 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 26 juni 2014, 13/6749 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.J.A. Vis hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vis. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 1 november 2006 een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) naar de norm voor een ongehuwde. Appellant stond vanaf 5 september 1975 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans Basisregistratie Personen) op het adres [adres] (uitkeringsadres). Op dat adres stond eveneens ingeschreven [naam] (R), die in de hier aan de orde zijnde periode ook een ouderdomspensioen op grond van de AOW ontving naar de norm voor een ongehuwde. Appellant heeft bij zijn aanvraag verklaard vanaf 1975 van R woonruimte te huren.

1.2.

Nadat de Svb eerder onderzoek had gedaan naar de woon- en leefsituatie van appellant, zonder dat dit gevolg had gehad voor zijn AOW-uitkering, heeft de Svb naar aanleiding van een in maart 2013 binnengekomen anonieme tip dat appellant al 33 jaar zou samenwonen met R op het uitkeringsadres, opnieuw een onderzoek ingesteld. Toezichthouders van de Svb hebben in dat kader onder meer dossieronderzoek verricht, het internet geraadpleegd, gegevens via Suwinet onderzocht en de Dienst wegverkeer (RDW) geraadpleegd. Verder hebben zij op 16 juli 2013 een onaangekondigd huisbezoek afgelegd aan het uitkeringsadres. Daarbij is appellant gehoord en heeft hij een formulier gezamenlijke huishouding, de zogeheten checklist, ingevuld. Ook R is gehoord en heeft een checklist ingevuld. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een handhavingsrapportage van

23 juli 2013.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor de Svb aanleiding geweest om bij besluit van

21 augustus 2013 (besluit 1) het AOW-pensioen van appellant met ingang van

1 november 2006 te herzien en vast te stellen naar de norm voor gehuwden en bij afzonderlijk besluit van gelijke datum (besluit 2) een bedrag van € 24.381,99 (bruto) van appellant terug te vorderen wegens over de periode van november 2006 tot en met juli 2013 ten onrechte betaald AOW-pensioen. Aan de besluitvorming heeft de Svb ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat appellant met R een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.

1.4.

Bij besluit van 26 november 2013 (bestreden besluit) heeft de Svb de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het besluit tot herziening van een uitkering is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat in dit geval de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening van het ouderdomspensioen is voldaan in beginsel op de Svb rust.

4.2.

In artikel 17, eerste en tweede lid, van de AOW is - kort weergegeven - bepaald dat het ouderdomspensioen wordt ingetrokken of herzien, wanneer degene aan wie het is toegekend daarvoor niet of niet meer in aanmerking komt, onderscheidenlijk voor een hoger of lager ouderdomspensioen in aanmerking komt.

4.3.

Op grond van artikel 1, vierde lid, van de AOW is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.4.

Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van de Svb dat appellant in november 2006, zonder daarvan melding aan de Svb te maken, een gezamenlijke huishouding voerde met R. Gelet op wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd en dat wat ter zitting is besproken, dient bij de beantwoording van die vraag eerst beoordeeld te worden of het huisbezoek op 16 juli 2013 rechtmatig was en zo nee, of dat tot gevolg heeft dat de bevindingen van dat huisbezoek buiten beschouwing moet blijven.

4.5.

Artikel 8, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4064) is geen sprake van inbreuk op het huisrecht als bedoeld in deze verdragsbepaling als de rechthebbende toestemming heeft gegeven voor het binnentreden in de woning. De toestemming moet vrijwillig zijn verleend en op basis van “informed consent”. Dit houdt in dat de toestemming van de belanghebbende berust op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek en over de gevolgen die het weigeren van toestemming voor, zoals in dit geval, het ouderdomspensioen ingevolge de AOW heeft. Welke gevolgen voor de verlening van het ouderdomspensioen zijn verbonden aan het weigeren van toestemming voor het binnentreden in de woning hangt af van de vraag of een redelijke grond voor het huisbezoek bestaat. Van een dergelijke grond is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het ouderdomspensioen en niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd. Is sprake van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek dan dient de belanghebbende erop te worden gewezen dat het weigeren van toestemming gevolgen kan hebben voor de verlening van het ouderdomspensioen. Ontbreekt een redelijke grond dan moet de belanghebbende erop worden geattendeerd dat het weigeren van toestemming geen (directe) gevolgen heeft voor het pensioen. De bewijslast ten aanzien van het “informed consent” bij het binnentreden in de woning berust op het bestuursorgaan.

4.6.

Aldus is in vaste rechtspraak neergelegd dat bij de beantwoording van de vraag of een inbreuk op het huisrecht is gemaakt in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM, tevens dient te worden onderzocht of het noodzakelijk is om een huisbezoek als controlemiddel in te zetten en of dat controlemiddel proportioneel is. Bij dat laatste is vooral van belang de vraag of is voldaan aan het vereiste van subsidiariteit, in die zin dat aan het bestuursorgaan geen andere passende, minder ingrijpende middelen ter beschikking staan om de rechtmatigheid van de uitkering te onderzoeken. Beide elementen vormen onderdeel van de beantwoording van de vraag of er een redelijke grond was voor het huisbezoek en het bestuursorgaan zal zich dan ook van beide elementen rekenschap moeten geven voorafgaand aan het inzetten van dit verstrekkende controlemiddel.

4.7.

Uit de handhavingsrapportage van 23 juli 2013 blijkt dat het onderzoek tijdens het huisbezoek heeft bestaan uit een gesprek met appellant en met R en het invullen van de checklists. Uit deze handhavingsrapportage blijkt niet dat andere activiteiten in de woning zijn verricht ter verificatie van de woon- en leefsituatie van appellant. Zoals de gemachtigde van de Svb ter zitting heeft erkend had een dergelijk onderzoek ook kunnen plaatsvinden op een kantoor van de Svb.

4.8.

Niet in geschil is dat voor de toezichthouders voorafgaand aan het huisbezoek op 16 juli 2013 voldoende grond bestond voor nader onderzoek. Dat betekent echter niet dat dit nader onderzoek door middel van een huisbezoek diende te geschieden. Niet valt in te zien dat het gesprek en het invullen van de checklist niet op een kantoor van de Svb had kunnen plaatsvinden, zoals de gemachtigde van de Svb ook heeft erkend. Nu appellant daartoe niet de mogelijkheid is geboden, kan niet worden geoordeeld dat in dit geval de verstrekte gegevens niet op een andere effectieve en voor appellant minder belastende wijze konden worden geverifieerd. Aldus ontbrak in die zin de redelijke grond voor het huisbezoek.

4.9.

Indien de Svb van oordeel is dat voor een betrokkene, mede met het oog op zijn leeftijd, een huisbezoek minder belastend is, staan voor de Svb ook andere mogelijkheden dan de thans gevolgde werkwijze open. Zoals al in de uitspraak van 9 juni 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1799) is overwogen kan, indien het afleggen van een huisbezoek als zodanig niet noodzakelijk is, een betrokkene de keuze worden geboden voor een onderzoek op een kantoor van de Svb dan wel een gesprek aan huis. In dat laatste geval moet worden voldaan aan de vereisten voor een rechtmatig huisbezoek zoals in 4.5 uiteengezet.

4.10.

Appellant is er niet over geïnformeerd dat het niet verlenen van toestemming om de woning te betreden geen directe gevolgen zal hebben voor zijn recht op ouderdomspensioen. Aan appellant is daarentegen voorgehouden dat, wanneer hij de medewerkers geen toestemming geeft om de woning binnen te treden, dit gevolgen kan hebben voor zijn recht op ouderdomspensioen en hij heeft een verklaring met die inhoud ondertekend. Hieruit volgt dat de toestemming voor het binnentreden van de woning niet is verleend op basis van informed consent. Het huisbezoek op 16 juli 2013 was dan ook onrechtmatig. Dit brengt mee, aangezien een redelijke grond voor het afleggen van het huisbezoek ontbreekt, dat de bevindingen van het huisbezoek niet mogen worden gebruikt bij de beoordeling van het recht op ouderdomspensioen van appellant.

4.11.

De besluitvorming in deze zaak is bijna uitsluitend gebaseerd op de bevindingen van het huisbezoek. De andere onderzoeksgegevens, zoals een artikel in het dagblad Trouw uit 1998 en de gastenlijst van een hotel in Oostenrijk, zijn onvoldoende voor het standpunt van de Svb dat appellant in november 2006 een gezamenlijke huishouding voerde met R, die tot en met juli 2013 heeft voortgeduurd. Dat betekent dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust. De rechtbank heeft dat niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Raad zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Svb heeft ter zitting van de Raad betoogd dat het mogelijk een nader onderzoek wil instellen naar de woon- en leefsituatie van appellant ten tijde hier van belang. Appellant woonde ten tijde van de zitting van de Raad ook nog steeds met R op hetzelfde adres. Om die reden en in aanmerking genomen dat de toepassing van de bestuurlijke lus zich niet verdraagt met het rechtsmiddel van beroep in cassatie dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding, zal de Svb worden opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

4.12.

Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Raad verder aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij hem beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 992,- in beroep en € 992,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 26 november 2013;

  • -

    draagt de Svb op een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat tegen het te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal

€ 1.984,-;

- bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik als voorzitter en A.M. Overbeeke en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2016.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) C. Moustaïne

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.

MK