Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2433

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
04-07-2016
Zaaknummer
14/4706 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand en afwijzing aanvraag. Te laat bezwaar. Bekendmaking. Geen juist adres opgegeven.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2016/305
ABkort 2016/252
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4706 WWB, 14/4892 WWB, 14/4893 WWB, 14/4894 WWB

Datum uitspraak: 28 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

10 juli 2014, 13/4413, 13/4993, 13/4992 en 14/1338 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2016. Namens appellant is verschenen mr. Fischer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. S. Dijkman Dulkes-Wan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand. Hij had bij het college als woonadres opgegeven [adres] (opgegeven adres), op welk adres hij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans basisregistratie personen) stond ingeschreven. Op 25 april 2013 heeft appellant het opgegeven adres verlaten. Hij heeft het college hiervan niet in kennis gesteld. Ook na die datum bleef appellant ingeschreven staan op het op het opgegeven adres.

1.2.

Nadat het college voor appellant bestemde post, die naar het opgegeven adres was gestuurd, retour had ontvangen en appellant een mutatieformulier, waarop hij een verhuizing kon doorgeven, niet binnen de daarvoor gestelde termijn aan het college had teruggestuurd, heeft het college bij besluit van 7 juni 2013, verstuurd naar het opgegeven adres, het recht op bijstand opgeschort met ingang van 1 mei 2013. Daarbij heeft het college appellant in de gelegenheid gesteld om het mutatieformulier alsnog in te vullen en uiterlijk 14 juni 2013 in te dienen. Nadat appellant hieraan geen gevolg had gegeven heeft het college bij besluit van

14 juni 2013, verstuurd naar het opgegeven adres, de bijstand ingetrokken met ingang van

1 mei 2013. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft voldaan aan de inlichtingenverplichting waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Bij besluit van 8 oktober 2013 (bestreden besluit 1) heeft het college het op 11 september 2013 tegen de besluiten van 7 juni 2013 en 14 juni 2013 ingediende bezwaarschrift van appellant niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.

1.3.

Bij besluit van 8 juli 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 november 2013 (bestreden besluit 2), heeft het college een aanvraag om bijstand van 28 juni 2013 afgewezen.

1.4.

Bij besluit van 29 augustus 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 november 2013 (bestreden besluit 3), heeft het college een aanvraag om bijstand van 8 juli 2013 toegewezen en aan appellant met ingang van die datum bijstand toegekend.

1.5.

Bij besluit van 13 november 2013 heeft het college het recht op bijstand met ingang van 13 november 2013 opgeschort. Bij besluit van 28 november 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 februari 2014 (bestreden besluit 4), heeft het college de bijstand ingetrokken met ingang van 13 november 2013.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten 1 tot en met 4 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat het college het bezwaar tegen de besluiten van 7 juni 2013 en 14 juni 2013 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, nu het college wist dat appellant niet meer op het opgegeven adres verbleef en toch de brieven en besluiten naar dat adres heeft verzonden. De besluiten van 7 juni 2013 en 14 juni 2013 zijn daarom niet op de juiste wijze bekendgemaakt, zodat de bezwaartermijn eerst is aangevangen op het moment dat (de gemachtigde van) appellant die besluiten had ontvangen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De gronden van het hoger beroep zijn uitsluitend gericht tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarin het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond is verklaard.

4.2.

Op grond van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vangt de in

artikel 6:7 van de Awb vermelde bezwaartermijn van zes weken aan met ingang van de dag na die waarop dat besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Ingevolge

artikel 3:41 van de Awb geschiedt bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 1 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7888) is aan de bekendmakingsverplichting als bedoeld in

artikel 3:41 van de Awb voldaan als het besluit wordt verzonden naar het laatst bekende adres van betrokkene, ook al is dit niet meer juist, en de betrokkene heeft nagelaten het bestuursorgaan van de adreswijziging op de hoogte te stellen.

4.4.

Niet in geschil is dat appellant het college niet op de hoogte heeft gesteld van de omstandigheid dat hij op 25 april 2013 het opgegeven adres heeft verlaten. De besluiten van

7 juni 2013 en 14 juni 2013 zijn daarom door verzending naar het opgegeven adres bekendgemaakt als bedoeld in artikel 3:41 van de Awb. De omstandigheid dat het college er wel van op de hoogte was dat appellant niet meer op het opgegeven adres verbleef doet daar, gelet op de onder 4.3 vermelde rechtspraak, niet aan af. De omstandigheid dat het opgegeven adres een door de gemeente Haarlem gefinancierde opvangplek is, maakt niet dat van die rechtspraak moet worden afgeweken. Deze omstandigheid ontslaat appellant immers niet van de plicht om zijn nieuwe (post)adres aan het college door te geven.

4.5.

De termijnen van zes weken waarbinnen appellant bezwaar had kunnen maken, zijn dan ook aangevangen op 8 respectievelijk 15 juni 2013. Ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift op 11 september 2013 waren die termijnen reeds ruimschoots verstreken. Het namens appellant ter zitting ingenomen standpunt dat de nieuwe aanvraag om bijstand die appellant op 28 juni 2013 had ingediend, aangemerkt had moeten worden als bezwaarschrift tegen de besluiten van 8 en 15 juni 2013, wordt niet gevolgd, nu uit die aanvraag op geen enkele manier blijkt dat beoogd werd bezwaar tegen die besluiten te maken.

4.6.

Wat appellant heeft aangevoerd, leidt voorts niet tot het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Het college

heeft het bezwaar tegen de besluiten van 7 juni 2013 en 14 juni 2013 daarom terecht

niet-ontvankelijk verklaard.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en

J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2016.

(getekend) W.F. Claessens

De griffier is buiten staat te ondertekenen

HD