Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2431

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
04-07-2016
Zaaknummer
15/259 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Niet gemelde inkomsten. Opzet niet vereist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/259 WWB

Datum uitspraak: 28 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 1 december 2014, 14/971 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. I. Wudka, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2016. Namens appellanten is

mr. Wudka verschenen. Het college heeft zich met bericht niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvangen vanaf 23 mei 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm van gehuwden.

1.2.

Naar aanleiding van een melding dat appellante schoonmaakwerk bij [naam] (G) zou verrichten, heeft het college een rechtmatigheidsonderzoek ingesteld. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn appellanten verhoord en is G gehoord. G heeft tevens maandstaten overgelegd die door appellante zijn ondertekend. Appellante heeft verklaard dat zij wekelijks huishoudelijke werkzaamheden voor G heeft verricht en daarvoor € 35,- heeft ontvangen, wat ook blijkt uit de overgelegde maandstaten. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 3 juli 2013.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

9 augustus 2013 de bijstand van appellanten over de periode van 23 mei 2008 tot en met

30 april 2013 (te beoordelen periode) te herzien en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 13.003,03 van appellanten terug te vorderen. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellante inkomsten uit arbeid heeft ontvangen. Appellanten hebben de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van deze inkomsten uit arbeid.

1.4.

Het college heeft het tegen dit besluit gemaakte bezwaar bij besluit van 14 februari 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellanten nimmer (spontaan) melding hebben gemaakt van de huishoudelijke werkzaamheden en de daaruit genoten inkomsten zodat zij de inlichtingenverplichting hebben geschonden. Op grond van artikel 17 van de WWB dienen appellanten immers onverwijld alle informatie door te geven waarvan het hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed is op het recht op bijstand. Indien appellanten niet zeker waren of de werkzaamheden en de (hoogte van de) daaruit genoten inkomsten van invloed zouden zijn op de bijstand, dan had het op de weg van appellanten gelegen zich hierover te informeren bij het college. Appellanten hebben dat niet gedaan. Rekening houdend met de wekelijkse inkomsten van € 35,- heeft het college de bijstand van appellanten over de te beoordelen periode terecht herzien en was het college gehouden de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat appellante de door het college in aanmerking genomen inkomsten uit arbeid over de te beoordelen periode heeft ontvangen. Evenmin is in geschil dat appellanten hiervan geen mededeling aan het college hebben gedaan. Appellanten hebben enkel betoogd dat zij te goeder trouw hebben gehandeld zodat het niet melden van deze inkomsten hen niet te verwijten valt.

4.2.

De beroepsgrond van appellanten slaagt niet. Het gaat hier om verrichte werkzaamheden en inkomsten uit arbeid van appellante gedurende een aanzienlijke periode. Het had voor appellanten dan ook redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat deze gegevens van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Door geen melding te maken van de werkzaamheden en inkomsten van appellante hebben appellanten de inlichtingenverplichting geschonden. Deze verplichting is een objectief geformuleerde verplichting, waarbij opzet geen rol speelt. Uitsluitend moet worden beoordeeld of appellanten de hier aan de orde zijnde gegevens hadden moeten melden en dit hebben nagelaten. Dit laatste is, zoals hiervoor vastgesteld, het geval. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat voor zover bij appellanten onduidelijkheid bestond over het melden van de inkomsten, het op hun weg had gelegen om daarover tijdig navraag te doen bij het college.

4.3.

Gelet op 4.1 en 4.2 was het college op grond van artikel 54, derde lid, van de WWB, zoals dit artikel sedert 1 juli 2013 luidt, gehouden de bijstand van appellanten over de te beoordelen periode te herzien. Daaruit volgt dat het college tevens gehouden was de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van appellanten terug te vorderen.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2016.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) A.M.C. de Vries

IJ