Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2423

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-06-2016
Datum publicatie
28-06-2016
Zaaknummer
14-3387 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:3463, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een WIA-uitkering. Zorgvuldig onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd zijn in medisch opzicht geschikt voor appellant. Dit is met de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende verifieerbaar en inzichtelijk toegelicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0691
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3387 WIA

Datum uitspraak: 24 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 mei 2014, 13/5560 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[naam B.V.] te [vestigingsplaats] (werkgever)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. van den Berg, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere medische stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft gereageerd op de door appellant overgelegde stukken. Voorts zijn desgevraagd nog rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overgelegd.

De werkgever heeft een zienswijze ingestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Berg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R.A. Kneefel. Namens de werkgever is mr. A. Heijink, advocaat, verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als servicemonteur voor 37,93 uur per week. Met ingang van 22 oktober 2010 heeft hij zich ziek gemeld wegens rugklachten. Naar aanleiding van een aanvraag om uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), is appellant medisch onderzocht. Bij dat onderzoek is geconcludeerd dat appellant beperkingen heeft wat betreft dynamische handelingen en statische houdingen. Appellant is aangewezen op rugsparend werk waarbij zitten, staan en lopen dienen te worden afgewisseld en waarbij gedwongen houdingen en standen vermeden dienen te worden. De vastgestelde beperkingen zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige functies geselecteerd op basis waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is berekend naar 26,48%. Bij besluit van 31 januari 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 27 december 2012 geen recht op een WIA-uitkering is ontstaan, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.2.

Bij besluit van 22 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 januari 2013 ongegrond verklaard. Daaraan lagen rapporten ten grondslag van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op grond van dossieronderzoek en het bijwonen van de hoorzitting geconcludeerd dat wegens de ernstige rugproblematiek, medicatie, de pijn en risicowering meer beperkingen dienen te worden aangenomen. De FML is daarom op 22 mei 2013 aangescherpt. Naar aanleiding van deze FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) opnieuw geraadpleegd en heeft op basis van de geselecteerde functies wikkelaar (SBC-code 267050), productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en administratie medewerker (SBC-code 315090) vastgesteld dat appellant onverminderd minder dan 35% arbeidsongeschikt is te achten (23,46%).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onzorgvuldig en de daarin opgenomen conclusies voor onjuist te houden. Daarbij is van belang geacht dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullende beperkingen heeft vastgesteld, rekening houdend met de dossierstukken waaronder de onderzoeksbevindingen met anamnese. De door appellant aangegeven pijnklachten, het gebruik van medicatie en het gebruik van het

TENS-apparaat zijn verdisconteerd in de beperkingen zoals neergelegd in de aangescherpte FML. Wat appellant in beroep heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven voor het oordeel dat op grond van de medisch objectieve informatie deze arts tot onvoldoende beperkingen heeft geconcludeerd. Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de rechtbank vervolgens, onder verwijzing naar de rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, overwogen dat niet is gebleken dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellant overschrijdt. In de functies zijn voldoende mogelijkheden tot vertreden en tot afwisseling tussen zitten, staan en lopen. Wat betreft de arbeidskundige geschiktheid van de geduide functies, heeft de rechtbank tot slot, onder verwijzing naar artikel 9 van het Schattingsbesluit, overwogen dat appellant niet heeft onderbouwd dat hij niet beschikt over de mondelinge beheersing van de Nederlandse taal, dan wel dat hij wegens ziekte of gebrek zich deze bekwaamheid niet kan verwerven.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de door de verzekeringsarts(en) en arbeidsdeskundigen opgestelde rapporten onzorgvuldig zijn en heeft verzocht een deskundige aan te stellen voor een nader geneeskundig onderzoek. Er is onvoldoende rekening gehouden met de pijnklachten als gevolg van de failed back surgery syndroom. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant een brief van 22 oktober 2014 van R.J.M. Munnikes, anesthesioloog-pijnspecialist, overgelegd. Appellant heeft de pijnklachten in de benen en de pijnklachten in de voetzolen ook consistent, zoals ook blijkt uit de anamnese en het dagverhaal, te kennen gegeven waardoor hij maximaal 20 uur werkzaam kan zijn. Hiertoe heeft appellant een rapport van 9 juli 2015, opgemaakt door de GGD in het kader van de Participatiewet, overgelegd waarin de GGD, onder meer, te kennen heeft gegeven dat een functie met een duurbelasting van vier uur per dag, 20 uur per week, tot de mogelijkheden van appellant behoort. Voorts heeft het appellant bevreemd dat, hoewel in bezwaar de FML is aangescherpt, de mate van arbeidsongeschiktheid lager is dan bij de primaire beoordeling het geval was. De geselecteerde functies liggen ver buiten de mogelijkheden van appellant. Bovendien staat het loon in de geselecteerde functies buiten de realiteit in vergelijking met wat appellant in de praktijk kan verdienen. Appellant heeft diverse malen gesolliciteerd. Daarbij is gebleken dat het loon in de praktijk aanzienlijk lager ligt dan het loon waarvan het Uwv uitgaat.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd over de medische grondslag van het bestreden besluit, is in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft betoogd. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is te oordelen dat de medische beoordeling onjuist is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep beschikte bij de beoordeling over de medische informatie van de behandelend sector, heeft deze informatie kenbaar bij zijn beoordeling betrokken en daartoe ook aanvullende beperkingen nodig geacht. Inzichtelijk en overtuigend is gemotiveerd dat de klachten van appellant geen aanleiding geven om verdergaande beperkingen aan te nemen.

4.1.2.

Op de in hoger beroep overgelegde informatie van anesthesioloog Munnikes heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij rapport van 11 november 2015 voldoende gereageerd waarom er geen aanleiding is om meer beperkingen aan te nemen. Op het in hoger beroep overgelegde GGD-rapport heeft het Uwv bij brief van 3 mei 2016 alsook ter zitting gereageerd. Ter zitting heeft ook de werkgever een reactie op het GGD-rapport gegeven. Zowel het Uwv als de werkgever hebben erop gewezen dat, afgezien van het feit dat het rapport betrekking heeft op een datum ruim gelegen na de datum in geding en is opgemaakt in het kader van een andere wet met een ander beoordelingskader, de door de GGD opgestelde FML niet veel verschilt van de FML zoals door het Uwv is vastgesteld. Voorts is erop gewezen dat appellant zelf in dit rapport de door de GGD aangenomen duurbeperking betwist en hij heeft gezegd dat hij in volledige werkwerken wil gaan werken. Met de door het Uwv en de werkgever gegeven reactie, is overtuigend toegelicht dat met de FML van 22 mei 2013 voldoende rekening is gehouden met de klachten van appellant. Appellant heeft met overgelegde stukken niet aannemelijk gemaakt dat de medische beoordeling onjuist is. Het ter zitting herhaalde verzoek om een onafhankelijk, medisch deskundige in te schakelen, wordt, gelet op het voorgaande, afgewezen.

4.2.1.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. Dit is met de rapporten van 15 juli 2013 en 17 november 2015 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende verifieerbaar en inzichtelijk toegelicht. Gelet op de door appellant gevolgde opleidingen, waaronder VCA diploma in 2008, moet appellant in staat worden geacht de geselecteerde functies, die opleidingsniveau één, twee of drie hebben en waarbij het gaat om eenvoudige werkzaamheden met eenduidige en veelal routinematige taken waarbij werkervaring niet vereist is, te vervullen.

4.2.2.

Ten aanzien van de stelling van appellant dat de lonen in de functies in de praktijk lager liggen dan de lonen die aan de schatting ten grondslag liggen, wordt opgemerkt dat volgens vaste rechtspraak, onder meer de uitspraak van de Raad van 8 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS9343 en de uitspraak van 10 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL7275, er geen redenen zijn om een systeem als het CBBS niet in beginsel rechtens aanvaardbaar te achten als ondersteunend systeem bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Hoewel het bij de in het CBBS opgenomen functies gaat om reële, op de arbeidsmarkt voorkomende functies, die voor appellant met het oog op zijn krachten en bekwaamheden geschikt zijn geacht, is sprake van een theoretische schatting. Het staat een betrokkene vrij om andersluidende gegevens aan te dragen, die indien zij reële twijfel wekken van de in het CBBS opgenomen gegevens aanleiding kunnen geven tot verificatie daarvan (ECLI:NL:CRVB:2010:BL7275). De enkele stelling van appellant is daartoe onvoldoende. Tot slot wordt nog opgemerkt dat ondanks dat sprake is van een toename van beperkingen, wegens de arbeidskundige component die aan de theoretische schatting eveneens ten grondslag ligt, het arbeidsongeschiktheidspercentage lager kan uitkomen, zoals bij appellant het geval is.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.E Bakker als voorzitter en H. van Leeuwen en

C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2016.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) B. Dogan

UM