Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2416

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-06-2016
Datum publicatie
28-06-2016
Zaaknummer
15-5745 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-verschoonbare termijnoverschrijding indienen bezwaarschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5745 WWAJ

Datum uitspraak: 24 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 juni 2015, 15/876 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.M.A. Leijser, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het UWV heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Leijser. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 20 oktober 2014 heeft het UWV een aanvraag van appellant op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten afgewezen. In de rechtsmiddelenclausule in dit besluit is vermeld: als u het niet eens bent met onze beslissing kunt u vóór 2 december 2014 een bezwaarschrift indienen.

1.2.

Bij brief, gedateerd 8 december 2014, met als bijlage een pro forma bezwaarschrift gedateerd 2 december 2014, heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 oktober 2014. Deze brief is per fax verstuurd op 9 december 2014 en door het UWV op 9 december 2014 ontvangen. Daarnaast heeft appellant genoemde brief van 8 december 2014 per post verstuurd op 9 december 2014. Laatstgenoemde brief is door het UWV op 10 december 2014 ontvangen.

1.3.

Bij besluit van 6 januari 2015 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 oktober 2014 niet-ontvankelijk verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellant de verzending per fax en per Falk Courier van een pro forma bezwaarschrift op 1 december 2014 niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat het bezwaarschrift te laat is ingediend en dat er geen aanleiding is de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat reeds op 1 december 2014 per fax een bezwaarschrift is verzonden en dat nadien bleek dat de fax-apparatuur op het kantoor van de gemachtigde niet werkte. De verzendrapportages over de periode 29 november 2014 tot en met 4 december 2014 kunnen in verband met een defect in de apparatuur niet uitgedraaid worden. Ter zitting in hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant gemeld dat de ouders van appellant hebben verteld dat zij het besluit van 20 oktober 2014 mogelijk pas in de eerste week van november 2014 hebben ontvangen. Het is dan ook niet zeker wanneer het UWV dat besluit heeft verzonden.

3.2.

Het UWV heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank is op grond van de beschikbare gegevens terecht tot de conclusie gekomen dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat het besluit van 20 oktober 2014 pas na die datum is verzonden. Hetgeen de gemachtigde eerst ter zitting in hoger beroep heeft gesteld met betrekking tot de mogelijke ontvangstdatum van het besluit van 20 oktober 2014 wordt buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde. Dit betekent dat de termijn voor het indienen van bezwaar is aangevangen op 21 oktober 2014 en is geëindigd op 1 december 2014.

4.2.

Verder heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij het pro forma bezwaarschrift op 1 december 2014 per fax en per Falk Courier heeft verstuurd. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant het bezwaarschrift van 8 december 2014 na het verstrijken van de daarvoor gestelde termijn heeft ingediend en dat er geen grond is voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is als bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht.

4.3.

Uit wat in 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van

L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2016.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) L.H.J. van Haarlem

MO