Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2414

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-06-2016
Datum publicatie
27-06-2016
Zaaknummer
14/5805 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening AOW en afwijzing AIO-aanvulling. Gezamenlijke huishouding. (on)Rechtmatigheid huisbezoek. Niet voldaan aan subsidiariteitsbeginsel. Geen "informed consent".

Wetsverwijzingen
Algemene Ouderdomswet
Algemene Ouderdomswet 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2016/268 met annotatie van Red.
RSV 2016/134
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5805 AOW, 15/3623 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van

8 oktober 2014, 14/7325 (aangevallen uitspraak 1) en van 31 maart 2015, 14/9599 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.L.M. Klinkhamer hoger beroepen ingesteld.

De Svb heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2016. De zaken zijn gevoegd behandeld. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Klinkhamer. Tevens is verschenen de zoon van appellante. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P. Stahl-de Bruin.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 12 februari 2014 een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) naar 44% van het pensioen voor een alleenstaande. Uit onderzoek is gebleken dat sinds 2011 bij haar inwonen de gewezen partner van haar zoon

[J.] (J) en haar zoontje [M.] (M). Omdat telefonisch contact moeizaam bleek en een ingevuld formulier “onderzoek gezamenlijke huishouding” vraagtekens opriep, hebben twee handhavingsmedewerkers op 12 maart 2014 een huisbezoek afgelegd. Appellante heeft daarvoor toestemming gegeven nadat zij erop was gewezen dat het weigeren van toestemming gevolgen kan hebben voor het recht op ouderdomspensioen of AIO-uitkering. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 13 maart 2014.

1.2.

De Svb heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gevonden om bij besluit van

21 maart 2014 (besluit 1) het AOW-pensioen van appellante met ingang van 12 februari 2014 te herzien en wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met J te wijzigen in de norm voor gehuwden. Bij afzonderlijk besluit van dezelfde datum (besluit 2) heeft de Svb de aanvraag van appellante van 8 januari 2014 om een aanvullende inkomensvoorziening ouderen als bedoeld in artikel 47a van de Wet werk en bijstand (AIO-uitkering) afgewezen op de grond dat het gezamenlijke inkomen van appellante en J de bijstandsnorm voor gehuwden te boven ging. Bij besluit van 3 juli 2014 (bestreden besluit 1) heeft de Svb de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

1.3.

Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat sprake was van een rechtmatig huisbezoek zodat de vraag of het college op een andere, minder belastende wijze onderzoek had moeten doen naar de woon- en leefsituatie van appellante niet meer ter beoordeling staat en dat een toereikende grondslag bestaat voor het aannemen van wederzijdse zorg, ook als wordt uitgegaan van de nadien aangebrachte nuances in de verklaringen tijdens het huisbezoek.

1.4.

Op 10 mei 2014 heeft appellante een nieuwe aanvraag om AIO-uitkering ingediend. De Svb heeft deze aanvraag bij besluit van 15 juli 2014 (besluit 3) afgewezen op de grond dat de feitelijke situatie niet is gewijzigd en dat nog steeds sprake is van wederzijdse zorg. Bij besluit van 7 oktober 2014 (bestreden besluit 2) heeft de Svb, met wijziging van de grondslag, het bezwaar tegen besluit 3 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de Svb zich op het standpunt gesteld dat hier het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB van toepassing is, omdat appellante in de periode van twee jaar voorafgaand aan de (nieuwe) aanvraag om AIO-uitkering als gehuwde is aangemerkt. Een nader onderzoek naar wederzijdse zorg is dan niet vereist.

1.5.

Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden, dat het ontbreken van de vermelding van de toepasselijke wetsbepaling geen onoverkomelijk motiveringsgebrek meebrengt, dat het afwijzingsbesluit ingevolge artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) werking heeft zodra het bekend is gemaakt en een ingesteld beroep of hoger beroep dus geen opschortende werking heeft en dat aan de beantwoording van de vraag of het inmiddels gesloten huurcontract op een commerciële relatie duidt niet meer wordt toegekomen.

2. In de hoger beroepen heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken 1 en 2 gekeerd.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Vaststaat dat J geen aanverwant in de eerste graad is van appellante, zodat ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB (ook) voor de AIO-uitkering van appellante van belang is of zij ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding voerde met J. Voor de toepassing van het begrip gezamenlijke huishouding is ingevolge artikel 1, derde lid, aanhef en onder a, van de AOW (de graad van) aanverwantschap niet van belang.

Aangevallen uitspraak 1

4.1.

Appellante heeft als meest verstrekkende beroepsgrond aangevoerd dat het huisbezoek van 12 maart 2014 onrechtmatig was, zodat de bevindingen aldaar voor het bewijs van een gezamenlijke huishouding buiten beschouwing moeten blijven.

4.2.

Artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Naar vaste rechtspraak (uitspraak van 24 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4064) is geen sprake van inbreuk op het huisrecht als bedoeld in deze verdragsbepaling als de rechthebbende toestemming heeft gegeven voor het binnentreden in de woning. De toestemming moet vrijwillig zijn verleend en op basis van “informed consent”. Dit houdt in dat de toestemming van de belanghebbende berust op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek en over de gevolgen die het weigeren van toestemming heeft voor, zoals in dit geval, het ouderdomspensioen ingevolge de AOW en de AIO-uitkering ingevolge de WWB. Welke gevolgen voor de verlening van het ouderdomspensioen en de AIO-uitkering zijn verbonden aan het weigeren van toestemming tot binnentreden in de woning hangt af van de vraag of een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek bestaat. Van een dergelijke grond is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het ouderdomspensioen en de AIO-uitkering en deze niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd. Is sprake van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek dan dient de belanghebbende erop te worden gewezen dat het weigeren van toestemming gevolgen kan hebben voor de verlening van het ouderdomspensioen en de AIO-uitkering. Ontbreekt een redelijke grond dan moet de belanghebbende erop worden geattendeerd dat het weigeren van toestemming geen (directe) gevolgen heeft voor het ouderdomspensioen of de AIO-uitkering. De bewijslast voor het “informed consent” ligt bij het bestuursorgaan.

4.3.

Tussen partijen is, zoals ook besproken ter zitting, niet meer in geschil dat de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voorafgaand aan het huisbezoek op 12 maart 2014 sprake was van objectieve twijfel aan de juistheid en volledigheid van de door appellante verstrekte gegevens over haar woon- en leefsituatie. Deze kwam met name voort uit de tot dan toe niet eenduidig, althans onvolledig, door appellante verstrekte gegevens op de diverse formulieren en het gebrekkig verlopen telefonische onderhoud van 16 januari 2014 tussen appellante en een medewerker van de Svb.

4.4.

Voor de beantwoording van de vraag of sprake was van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek is, gelet op de onder 4.2 aangehaalde rechtspraak, tevens van belang of de Svb de eerder verstrekte gegevens ook op een andere effectieve en voor appellante minder belastende wijze dan door middel van een huisbezoek had kunnen verifiëren. Uit de handhavingsrapportage van 13 maart 2014 blijkt dat het onderzoek tijdens het huisbezoek in wezen heeft bestaan uit een zogenoemd “keukentafelgesprek” met appellante, waarbij aanvullende en verduidelijkende informatie is gevraagd en verkregen en waarbij is geconstateerd dat de woonkamer volstond met kinderspeelgoed. Verder onderzoek ter plekke heeft blijkens de rapportage niet plaatsgevonden. Ter zitting is desgevraagd door de gemachtigde van de Svb toegelicht dat niet kan worden uitgesloten dat een gesprek op een kantoor van de Svb hetzelfde resultaat zou hebben gehad, maar dat in dit geval mede ter wille van appellante is besloten tot het afleggen van een huisbezoek om in een haar vertrouwde omgeving de ontbrekende informatie te verkrijgen. Dat deze handelwijze van de Svb voor appellante minder ingrijpend of belastend zou zijn is door appellante bestreden. Gelet op het voorgaande heeft de Svb niet aannemelijk gemaakt dat de tijdens het huisbezoek verstrekte gegevens niet op een andere effectieve en voor appellante minder belastende wijze konden worden geverifieerd. Daarvoor acht de Raad van doorslaggevende betekenis dat appellante vooraf niet de keuze is geboden om het noodzakelijk geachte (vervolg)gesprek ofwel op een kantoor van de Svb dan wel in haar woning te laten plaatsvinden. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat niet voldaan was aan het in acht te nemen beginsel van subsidiariteit en dus per saldo geen redelijke grond bestond voor het afleggen van een huisbezoek.

4.5.

Uit het zich onder de stukken bevindende formulier “Verklaring omtrent huisbezoek SVB” blijkt dat de handhavingsmedewerkers appellante erop hebben gewezen dat, als zij geen toestemming verleent om haar woning binnen te treden, dit gevolgen kan hebben voor haar recht op pensioen of AIO-uitkering. Daarmee staat tevens vast dat geen sprake was van een “informed consent”. Dat had bij gebreke van een redelijke grond immers moeten luiden dat voor appellante juist geen nadelige gevolgen zouden zijn verbonden aan het weigeren van medewerking door haar aan het voorgenomen huisbezoek.

4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat sprake was van een onrechtmatig huisbezoek en dat deze beroepsgrond van appellante dus slaagt. Dit betekent dat alles wat tijdens het huisbezoek is waargenomen en verklaard voor de beoordeling van de vraag of appellante en J ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding voerden buiten beschouwing dient te blijven. Nu de gemachtigde van de Svb ter zitting heeft erkend dat overigens onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding kan het bestreden besluit in rechte geen stand houden. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en bestreden besluit 1 vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Aangezien aan besluit 1 hetzelfde niet te herstellen gebrek kleeft als aan het bestreden besluit, zal de Raad zelf in de zaak voorzien door besluit 1 te herroepen. Wat betreft het bezwaar tegen besluit 2 kan de Raad niet op deze wijze zelf in de zaak voorzien. Ook kunnen in zoverre de rechtsgronden van het bestreden besluit niet in stand worden gelaten. Aangezien de bestuurlijke lus zich niet verdraagt met het rechtsmiddel van beroep in cassatie dat openstaat tegen uitspraken van de Raad inzake de uitleg en toepassing van het begrip gezamenlijke huishouding, zal de Svb worden opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen besluit 2.

Aangevallen uitspraak 2

5.1.

Aangezien bij de besluitvorming naar aanleiding van de nieuwe melding en aanvraag van appellante van 2 respectievelijk 10 mei 2014 om een AIO-uitkering als vertrekpunt is genomen dat appellante en J in de periode van twee jaar voorafgaand aan de aanvraag een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, kan ook hier het bestreden besluit 2 in rechte geen stand houden. Dit is door de rechtbank niet onderkend. Het hoger beroep treft dus doel. De aangevallen uitspraak 2 dient daarom te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit 2 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen en de Svb opdragen een nieuwe beslissing te nemen op bezwaar tegen besluit 3. Daarbij zal de onder 4.6 bedoelde nieuwe besluitvorming dienen te worden betrokken.

6. Aanleiding bestaat de Svb te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.984,- in bezwaar (4x), op € 1.984,- in beroep (4x) en op € 1.488,- in hoger beroep (2x hoger beroepschriften en gevoegde behandeling ter zitting) voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt aangevallen uitspraak 1;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 3 juli 2014;

- herroept het besluit van 21 maart 2014 tot herziening van het ouderdomspensioen en bepaalt

dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 3 juli 2014;

- draagt de Svb op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen het besluit van

21 maart 2014 tot afwijzing van de aanvraag om een AIO-uitkering;

- vernietigt aangevallen uitspraak 2;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 7 oktober 2014;

- draagt de Svb op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen het besluit van

15 juli 2014 tot afwijzing van de nieuwe aanvraag om een AIO-uitkering;

- veroordeelt de Svb in de kosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 5.456,-;

- bepaalt dat de Svb aan appellante het in beroep (4x) en in hoger beroep (4x) betaalde

griffierecht van in totaal € 335,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en M. ter Brugge en

D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is

uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2016.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) M.S. Spek

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD