Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2407

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-06-2016
Datum publicatie
27-06-2016
Zaaknummer
15/7252 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De aangevallen uitspraak is een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb. Op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb kan tegen een dergelijke uitspraak geen hoger beroep worden ingesteld. Geen doorbreking van het wettelijk appèlverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7252 AWBZ

Datum uitspraak: 22 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

10 september 2015, 14/10097 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de erven van [betrokkene] te [woonplaats] (appellanten)

Centrum indicatiestelling zorg (CIZ)

PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.

CIZ heeft laten weten geen verweerschrift in te dienen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2016. Namens appellanten is verschenen [A.] . CIZ heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij uitspraak van 5 februari 2013, 12/7564, heeft de rechtbank Den Haag het beroep van [betrokkene] (betrokkene) tegen een beslissing op bezwaar van 21 juni 2012 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het bezwaar tegen een primair besluit van

31 januari 2012 niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat deze niet-ontvankelijkverklaring in de plaats treedt van de vernietigde beslissing op bezwaar. Deze uitspraak berust op de overwegingen dat het bezwaarschrift te laat is ingediend en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat betrokkene niet in verzuim is geweest. De uitspraak van 5 februari 2013 is gedaan onder toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.2.

Bij uitspraak van 28 november 2013, 12/7564, heeft de rechtbank Den Haag het verzet van betrokkene tegen de uitspraak van 5 februari 2013 ongegrond verklaard. De uitspraak van 28 november 2013 is een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55 van de Awb.

1.3.

Bij uitspraak van 10 april 2015, 14/10097, heeft de rechtbank Den Haag het verzoek van betrokkene om herziening van de uitspraak van 28 november 2013 afgewezen. De uitspraak van 10 april 2015 is gedaan onder toepassing van artikel 8:54 van de Awb.

1.4.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzet van appellanten tegen de uitspraak van 10 april 2015 ongegrond verklaard. De aangevallen uitspraak is een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55 van de Awb.

2. In hoger beroep hebben appellanten aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte hun verzoek heeft afgewezen om de behandeling ter zitting uit te stellen. Appellanten betogen dat zij zich niet voldoende hebben kunnen voorbereiden op de behandeling ter zitting.

3. De Raad oordeelt als volgt.

3.1.

De aangevallen uitspraak is een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb. Op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb kan tegen een dergelijke uitspraak geen hoger beroep worden ingesteld. In deze zaak ligt de vraag voor of dit wettelijk appèlverbod buiten toepassing moet blijven.

3.2.

Voor een doorbreking van een wettelijk appèlverbod kan aanleiding zijn indien sprake is van een zodanig ernstige schending van de eisen van een goede procesorde of van fundamentele rechtsbeginselen, dat van een eerlijk en onafhankelijk proces geen sprake is. In wat appellanten hebben aangevoerd, wordt geen grond gezien voor het oordeel dat daarvan sprake is geweest. De omstandigheid dat het verzoek van appellanten niet is ingewilligd om de behandeling ter zitting van de rechtbank uit te stellen, betekent niet dat de fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden. Daarbij is van belang dat [A.] namens appellanten, ondanks het verzoek om uitstel, wel bij de behandeling ter zitting aanwezig is geweest en dat de in die procedure aan de orde zijnde rechtsvraag niet dermate uitgebreid en ingewikkeld was dat van een deugdelijke voorbereiding geen sprake kon zijn.

3.3.

Ook kan grond bestaan voor doorbreking van het wettelijk appèlverbod indien de rechtbank is getreden buiten de reikwijdte van de bevoegdheid waarvan de aanwending van het hoger beroep is uitgezonderd. Ook deze uitzondering doet zich hier niet voor.

3.4.

Uit 3.1 tot en met 3.3 volgt dat er geen grond is om het wettelijk appèlverbod buiten toepassing te laten, zodat de Raad zich onbevoegd dient te verklaren om kennis te nemen van het ingestelde hoger beroep. Dit betekent dat de Raad geen inhoudelijk oordeel mag geven over al hetgeen appellanten hebben gesteld omtrent de uitleg van het begrip week in de Awb.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    verklaart zich onbevoegd;

  • -

    bepaalt dat de griffier van de Raad het betaalde griffierecht van € 123,- aan appellanten terugbetaalt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2016.

(getekend) J. Brand

(getekend) J.W.L. van der Loo

UM