Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2399

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-06-2016
Datum publicatie
28-06-2016
Zaaknummer
14/4762 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WW-uitkering terecht geweigerd. Appellant hield anders dan wegens vakantie buiten Nederland verblijf, zodat de uitsluitingsgrond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW op appellant van toepassing is geworden. Daarnaast is wegens zijn detentie in Suriname ook de in onderdeel g van artikel 19 genoemde uitsluitingsgrond op hem van toepassing geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0683
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4762 WW

Datum uitspraak: 22 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

9 juli 2014, 13/6989 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. R. Dhalganjansing, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2016. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. F.A. Steeman.

OVERWEGINGEN

1. Appellant was als beveiliger in dienst van [naam werkgeefster] (werkgeefster). Op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus heeft de Korpschef van politie (korpschef) toestemming aan appellant verleend ten behoeve van werkgeefster beveiligingswerkzaamheden te verrichten. In de betreffende arbeidsovereenkomst is opgenomen: “Bij geen goedkeuring bijzondere wetten wordt het arbeidscontract direct ontbonden en volgt ontslag op staande voet, loonbetaling zal direct stoppen”. Bij besluit van

1 februari 2013 heeft de korpschef de toestemming ingetrokken op de grond dat appellant niet meer beschikt over de betrouwbaarheid die nodig is voor de te verrichten werkzaamheden.

2.1.

Op 12 april 2013 heeft appellant een aanvraag gedaan om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op het aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat wegens omstandigheden de politie zijn vergunning als beveiliger heeft ingetrokken en hij zijn werk niet meer mocht voortzetten bij het bedrijf. Tevens heeft appellant vermeld dat hij op dat moment in Suriname is in verband met het overlijden van een kennis.

2.2.

Bij besluit van 16 april 2013 heeft het Uwv de WW-uitkering aan appellant ontzegd omdat appellant door eigen schuld werkloos is geworden. Appellant had kunnen weten dat zijn gedrag een dringende reden was voor ontslag.

3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 april 2013. Bij beslissing op bezwaar van 17 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard, onder wijziging van de motivering die aan het besluit van 16 april 2013 ten grondslag was gelegd. Allereerst heeft het Uwv gesteld dat appellant in bezwaar heeft gesteld dat geen sprake is van beëindiging van het dienstverband en dat hij recht heeft op doorbetaling van zijn loon. Werkgeefster heeft aangegeven dat zij appellant op staande voet heeft ontslagen wegens het intrekken van de vergunning als beveiliger. Zowel appellant als de werkgeefster kunnen echter geen ontslagbrief overleggen. Omdat niet vast staat dat er een verlies van recht op loondoorbetaling is ingetreden, kan daarom geen beslissing over een eventueel recht op een WW-uitkering worden genomen. Daarnaast heeft het Uwv gesteld dat voor appellant op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef onder e, van de WW een uitsluitingsgrond geldt omdat hij anders dan wegens vakantie buiten Nederland woont of verblijf houdt. Bovendien geldt voor appellant op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder g, van de WW, nog een uitsluitingsgrond omdat appellant door detentie in Suriname rechtens van zijn vrijheid is ontnomen. Tenslotte is het Uwv uitgebreid ingegaan op de verwijtbaarheid van werkloosheid in verband met de dringende reden die naar de mening van het Uwv is ontstaan door het intrekken van de toestemming om als beveiliger werkzaam te zijn.

4. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard.

5.1.

In hoger beroep heeft appellant gesteld dat de rechtbank heeft miskend dat appellant bij werkgeefster een concreet verlof had aangevraagd voor vakantie en rust in zijn geboorteland Suriname nadat zijn privé-situatie was geëscaleerd. Gedurende die vakantie raakte hij op

1 maart 2013 onopzettelijk betrokken bij een dodelijk verkeersongeval en is hij in hechtenis genomen in Suriname waardoor hij niet tijdig naar Nederland kon terugkeren. Appellant heeft betwist dat door de vernietiging van het ontslag door de kantonrechter te [plaatsnaam] , zonder recht op doorbetaling van loon, geen recht op WW-uitkering is ontstaan. Appellant heeft geklaagd over schending van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en over zijn recht op het voeren van family life. Appellant heeft gesteld dat geen sprake is van een evenredige belangenafweging. Zo hem enig verwijt kan worden gemaakt, had het Uwv tijdelijk een minimale korting op de WW-uitkering moeten toepassen. Tenslotte heeft appellant verzocht om vergoeding van door hem geleden schade.

5.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft betreffende het beroep op artikel 8 van het EVRM nog verwezen naar de uitspraak van de Raad van 5 december 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY5360) en de daarin opgenomen overweging dat, voor zover de regeling met betrekking tot de weigering van de WW-uitkering bij verwijtbare werkloosheid al geacht wordt een inbreuk te maken op het recht op familieleven, dat dan sprake is van een toegestane beperking in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Naar de mening van het Uwv geldt dit ook voor de gestelde uitsluitingsgronden.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1.1.

In artikel 16, eerste lid, van de WW is bepaald dat werkloos is de werknemer die:

a. in een kalenderweek ten minste vijf arbeidsuren minder heeft dan zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek of een aantal arbeidsuren heeft dat ten hoogste gelijk is aan de helft van zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek; en

b. beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.

6.1.2.

In artikel 1a van de WW is bepaald dat onder arbeidsuur in deze wet wordt verstaan:

a. uur waarover een werknemer inkomen uit arbeid heeft ontvangen; of

b. uur waarover een werknemer recht heeft op inkomen uit arbeid.

6.2.

Uit de aanvraag van appellant om een WW-uitkering blijkt dat appellant in de kalenderweek van 28 januari 2013 tot en met 3 februari 2013 40 uur voor werkgeefster heeft gewerkt. Uit de opgave van werkgeefster in Suwinet over de periode van 28 januari 2013 tot 24 februari 2013 blijkt dat werkgeefster appellant over 91 uren en negen dagen loon heeft betaald. Van die negen dagen kunnen er hooguit vier betrekking hebben gehad op de maand januari, zodat appellant in februari 2013 nog minstens vijf dagen moet hebben gewerkt en daarvoor ook loon heeft ontvangen.

6.3.

Een ontslagbrief bevindt zich niet bij de stukken. Wel is er een brief van werkgeefster van 11 februari 2013, gericht aan appellant, waarin deze verwijst naar het besluit van de korpschef van 1 februari 2013 en naar de hiervoor vermelde passage uit de arbeidsovereenkomst, maar dat de arbeidsovereenkomst met die brief per 11 februari 2013 is opgezegd dan wel dat de werking van een ontbindende voorwaarde is ingeroepen, is niet gebleken. Ook de kantonrechter heeft geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst in stand is gebleven, zij het op andere gronden.

6.4.

Uit 6.1.1 tot en met 6.3 volgt dat niet aannemelijk is dat vóór 11 februari 2013 werkloosheid is ontstaan.

6.5.

De vraag of er vanaf (maandag) 11 februari 2013 recht is op WW-uitkering, wordt ontkennend beantwoord. Daartoe wordt het volgende overwogen.

6.6.

Op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e en g, van de WW heeft de werknemer geen recht op uitkering die: (…)

e. buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie; (…)

g. rechtens zijn vrijheid is ontnomen; (…).

6.7.

Ter zitting bij de rechtbank heeft appellant verklaard dat hij op 11 februari 2013 is vertrokken naar Suriname. Volgens zijn eigen vermelding op het aanvraagformulier was dat niet in verband met vakantie, maar in verband met het overlijden van een kennis. Dat hij, zoals in hoger beroep gesteld, voor vakantie en rust naar Suriname is vertrokken heeft appellant niet aannemelijk gemaakt. Dit betekent dat appellant anders dan wegens vakantie buiten Nederland verblijf hield, zodat de uitsluitingsgrond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW op appellant van toepassing is geworden. Daarnaast is wegens zijn detentie in Suriname vanaf 1 maart 2013 tot 2 maart 2014 ook de in onderdeel g van artikel 19 genoemde uitsluitingsgrond op hem van toepassing geweest.

6.8.

De door appellant opgeworpen vragen of de gevraagde WW-uitkering geheel mocht worden geweigerd en of in zijn geval sprake is geweest van een evenredige belangenafweging behoeven geen bespreking, nu appellant geen recht op WW-uitkering had. Met de stelling dat het privéleven van appellant door de buitenlandse detentie en het geheel onthouden van financiële middelen is beperkt, heeft appellant niet duidelijk gemaakt dat artikel 8 van het EVRM het Uwv desondanks zou verplichten hem wel in aanmerking te brengen voor de door hem gewenste WW-uitkering. Deze grond slaagt niet.

6.9.

Uit 6.1.1 tot en met 6.8 volgt dat het Uwv terecht aan appellant een WW-uitkering heeft ontzegd.

6.10.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van het Uwv tot betaling van schadevergoeding bestaat geen ruimte, zodat het daartoe strekkende verzoek zal worden afgewezen.

8. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2016.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) J.C. Borman

UM