Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2394

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-06-2016
Datum publicatie
28-06-2016
Zaaknummer
14/4340 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen loonsanctie werkgeefster. Het Uwv wordt gevolgd in het standpunt dat werkgeefster niet nalatig is geweest in het eerste spoor en het tweede spoor. Werkgeefster kon na de eerstejaarsevaluatie tot weinig re-integratie-activiteiten komen. Appellant werd nog steeds arbeidsongeschikt geacht. Pogingen om met appellant via een re-integratiebureau tot re-integratie-activiteiten te komen werden door appellant afgehouden, ook toen werkgeefster loonmaatregelen inzette. Daarna stond de meer intensieve medische behandeling aan re-integratie in de weg. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0696
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4340 WIA

Datum uitspraak: 22 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

25 juni 2014, 13/1953 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[naam werkgeefster] te [vestigingsplaats] (werkgeefster)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens werkgeefster heeft mr. J.W.T.M. IJsseldijk, advocaat, een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

Appellant heeft op het verweerschrift en de zienswijze gereageerd.

Mr. J.J.F. van de Voort, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld voor werkgeefster.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door P.J. Dekker, registerarbeidsdeskundige, en I.P. Wouters. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door C. Roele. Voor werkgeefster is verschenen

mr. M.J.C. van Rijswijk, advocaat en kantoorgenoot van mr. Van de Voort.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als key accountmanager in dienst van werkgeefster toen hij op

2 augustus 2011 uitviel wegens een oogaandoening, waarna tevens een burn-out bleek ten gevolge van een arbeidsconflict.

1.2.

In het kader van de re-integratie van appellant is een in december 2011 beproefde mediation mislukt en in februari 2012 beëindigd. In een op 24 april 2012 door het Uwv gegeven deskundigenoordeel is vermeld dat re-integratie in het zogenoemde eerste spoor geen succes wordt, dat werkgeefster voldoende aan re-integratie-inspanning doet en dat deze zich moet richten op spoor 2.

1.3.

Op 21 april 2013 heeft appellant een aanvraag gedaan voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De daarop volgende beoordeling van de re-integratie-inspanningen van werkgeefster door een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft geleid tot het besluit van 20 juni 2013, waarbij is vastgesteld dat de

re-integratie-inspanningen van werkgeefster voldoende zijn geweest en waarbij tevens is vastgesteld dat appellant met ingang van 30 juli 2013 recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA. Het tegen het besluit van 20 juni 2013 door appellant ingediende bezwaar is bij besluit van 4 oktober 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dat besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 september 2013 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 25 september 2013 ten grondslag.

1.4.

Werkgeefster heeft op 28 november 2013 een ontslagvergunning gekregen, waarna het dienstverband met appellant met ingang van 1 maart 2014 door opzegging is geëindigd.

2. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat het procesbelang bij een uitspraak ontbreekt, aangezien appellant slechts het oordeel van de rechtbank wenste te verkrijgen over de re-integratie-inspanningen van werkgeefster om dat te betrekken in een rechtsstrijd tussen hem en werkgeefster. Volgens de rechtbank kan appellant met het beroep niet bereiken wat hij beoogt.

3.1.

Appellant kan zich met de aangevallen uitspraak niet verenigen. Hij heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat werkgeefster onjuist en inadequaat heeft gehandeld en dat het Uwv ten onrechte geen loonsanctie heeft opgelegd.

3.2.

Het Uwv heeft, met verwijzing naar de beoordeling van de re-integratie-inspanningen door de arbeidsdeskundige en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, gesteld dat de

re-integratie-inspanningen van werkgeefster terecht als voldoende zijn beoordeeld, zodat het bestreden besluit op goede gronden is genomen.

3.3.

Volgens werkgeefster heeft het Uwv een correcte beslissing genomen en is aan haar terecht geen loonsanctie opgelegd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Uit het door appellant bij de rechtbank ingediende beroepschrift en uit de zittingsaantekeningen van 6 juni 2014 blijkt dat appellant, zoals hij ook in hoger beroep doet, de omvang en kwaliteit van de re-integratie-inspanningen van werkgeefster heeft bestreden. Gelet op eerdere rechtspraak van de Raad, waarin het kader is geschetst van de mogelijkheden van de werknemer om op te komen tegen het oordeel van het Uwv over de

re-integratie-inspanningen van een werkgever (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2015:298 en de daarin genoemde rechtspraak), moet worden geoordeeld dat het beroep van appellant bij de aangevallen uitspraak ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De Raad zal beoordelen of het Uwv terecht de re-integratie-inspanningen van werkgeefster als voldoende heeft beoordeeld.

4.2.

Op grond van artikel 7:658a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) bevordert de werkgever ten aanzien van de werknemer die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, de inschakeling in de arbeid in zijn bedrijf. Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en in het bedrijf van de werkgever geen andere passende arbeid voorhanden is, bevordert de werkgever, gedurende het tijdvak waarin de werknemer jegens hem recht op loon heeft op grond van artikel 7:629 de inschakeling van de werknemer in voor hem passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever.

4.3.

Op grond van artikel 65 van de Wet WIA beoordeelt het Uwv of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht.

4.4.

Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 van de Wet WIA en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het Uwv op grond van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 7:629 van het BW, opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde re-integratie-inspanningen kan herstellen. De verlenging is ten hoogste 52 weken.

4.5.

In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, gewijzigd bij Besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224) (Beleidsregels) heeft het Uwv een inhoudelijk kader neergelegd voor de beoordeling van de vraag of de werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Blijkens de Beleidsregels staat bij de beoordeling het bereikte resultaat voorop. Als een bevredigend resultaat is bereikt, is volgens het beoordelingskader voldaan aan de wettelijke eis dat de werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de

re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Van een bevredigend resultaat is sprake als gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. Indien het Uwv het resultaat niet bevredigend acht, zal volgens de Beleidsregels bij de beoordeling worden ingezoomd op wat door de werkgever en werknemer daadwerkelijk ondernomen is. Volgens het beoordelingskader ligt het voor de hand dat de werkgever en werknemer zich in eerste instantie inspannen om de werknemer zijn eigen functie weer te laten oppakken. Mocht dat niet mogelijk zijn, dan wordt gekeken naar ander passend werk binnen het bedrijf. Hervattingsmogelijkheden bij een andere werkgever komen aan de orde als hervatting in eigen of passend werk binnen het bedrijf niet meer mogelijk is. Met name tijdens de zogenoemde eerstejaarsevaluatie moeten volgens het beoordelingskader over de re-integratie keuzes worden gemaakt voor

re-integratie-inspanningen in het eigen bedrijf of bij een andere werkgever.

4.6.

Het besluit tot oplegging van een loonsanctie is een door het Uwv ambtshalve genomen besluit met een voor een werkgever belastend karakter. Op grond van bestendige rechtspraak, bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2015:861, dient het Uwv, als een loonsanctie wordt opgelegd, aannemelijk te maken dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en daarbij te beoordelen of dit zonder deugdelijke grond is geschied.

4.7.1.

Niet in geschil is dat appellant bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen van werkgeefster niet in arbeid had hervat. Er kon dus niet gesproken worden van een bevredigend resultaat. Het Uwv is dan ook terecht toegekomen aan een beoordeling van de

re-integratie-inspanningen.

4.7.2.

Het standpunt van het Uwv dat werkgeefster voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, is gebaseerd op de conclusies van de in 1.3 genoemde rapporten. De door de verzekeringsarts beoordeelde medische situatie heeft geleid tot de conclusie dat appellant nog niet optimaal is opgewassen tegen belastende factoren als conflicthantering, tijdsdruk of geconcentreerd werk. In haar rapport van 25 september 2013 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vermeld dat appellant tijdens de wachttijd vrijwel niet in staat is geweest te werken. Dat heeft hij zelf vermeld en is ook de opvatting van de bedrijfsarts. Verder heeft deze arbeidsdeskundige vastgesteld dat in het in 1.2 genoemde deskundigenoordeel is vermeld dat werkgeefster tot dan voldoende re-integratie-activiteiten heeft verricht en dat de arbeidsdeskundige heeft voorgesteld spoor 2 in te zetten. Daarnaast is in het rapport van

25 september 2013 met concrete voorbeelden weergegeven dat werkgeefster en appellant verschillende lezingen hebben over de verschillende contacten en (pogingen tot)

re-integratie-activiteiten en dat mediation is mislukt. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat herplaatsing bij de eigen werkgever rond de eerstejaarsevaluatie niet zeker was, zodat werkgeefster zich ook op het tweede spoor moest richten. In de situatie die zich voordeed kon werkgeefster vrij weinig aan re-integratie doen zodat er geen aanleiding was een loonsanctie op te leggen.

4.8.1.

Uit het in 4.2 tot en met 4.4 genoemde samenstel van bepalingen van het BW en de Wet WIA blijkt dat bij ongeschiktheid van een werknemer ten gevolge van ziekte de werkgever in de eerste plaats zal moeten bezien of de werknemer teruggeleid kan worden naar eigen of aangepast werk bij de eigen werkgever. Het in de Beleidsregels neergelegde beoordelingskader gaat daar, in overeenstemming met deze wettelijke bepalingen, eveneens vanuit. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie ECLI:NL:CRVB:2016:1916) is, gelet op dit stelsel, het enkele feit dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding of een arbeidsconflict geen reden om na uitval van een werknemer wegens ziekte in verband met zo’n conflict niet te starten met re-integratie in het eerste spoor. Pas wanneer in het kader van de re-integratie in redelijkheid moet worden geconcludeerd dat terugkeer in eigen of passend werk bij de werkgever niet haalbaar is, zal dat spoor verlaten moeten worden, waarbij in ieder geval de eerstejaarsevaluatie een specifiek moment is (het opschudmoment) om bijstelling van de re-integratie in te zetten.

4.8.2.

Dat de uitval van appellant in augustus 2011 (mede) arbeidgerelateerd was, staat niet ter discussie. Vastgesteld wordt dat spoedig na uitval van appellant van een aanmerkelijk arbeidsconflict sprake was, waarbij reeds in februari 2012 moest worden geconcludeerd dat sprake was van een mislukte poging tot mediation. Uit het rapport van 24 april 2012, dat door arbeidsdeskundige H.J. Lodder is opgemaakt ten behoeve van het deskundigenoordeel, en uit de reactie van deze arbeidsdeskundige van 30 mei 2012 op een brief van appellant van 16 mei 2012, blijkt niet alleen dat het voor appellant duidelijk was dat werkgeefster niet met hem verder wilde, maar ook komt daarin uitdrukkelijk naar voren dat terugkeer naar werkgeefster voor appellant toen geen serieuze optie was. Dat hij tegelijkertijd kennelijk niets liever wilde, zoals ook ter zitting gemeld, dan ooit te kunnen hervatten in zijn werk, doet aan zijn door de arbeidsdeskundige weergegeven visie niet af. Uit de brieven van 25 augustus 2012 en

4 september 2012, die appellant in het kader van de eerstejaarsevaluatie heeft geschreven aan werkgeefster en het Uwv, blijkt dat appellant zich volledig arbeidsongeschikt achtte voor zijn eigen en voor aangepast werk. Dat spoort met de bevindingen van de bedrijfsarts die na de eerstejaarsevaluatie op 23 augustus 2012 en op 1 oktober 2012 heeft geconcludeerd dat appellant volledig arbeidsongeschikt was. Er waren dan ook aanmerkelijke belemmeringen om in het eerste spoor te re-integreren. Aan het eind van 2012 en in de eerste maanden van 2013 was voor appellant vervolgens een meer intensieve medische behandeling noodzakelijk. De door appellant ingeschakelde arbeidsdeskundige P.J. Dekker heeft in zijn rapport van

16 mei 2013 vermeld dat het eigen werk ook toen voor appellant niet passend was. Gelet op deze gegevens wordt het Uwv gevolgd in het standpunt dat werkgeefster niet nalatig is geweest in het eerste spoor. Dat geldt eveneens voor het tweede spoor. Zoals het Uwv met juistheid heeft gesteld, kon werkgeefster na de eerstejaarsevaluatie tot weinig

re-integratie-activiteiten komen. Appellant werd nog steeds arbeidsongeschikt geacht. Pogingen om met appellant via een re-integratiebureau tot re-integratie-activiteiten te komen werden door appellant afgehouden, ook toen werkgeefster loonmaatregelen inzette. Daarna stond de meer intensieve medische behandeling aan re-integratie in de weg.

4.8.3.

Wat in 4.8.1 en 4.8.2 is overwogen leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit, waarbij het besluit is gehandhaafd om werkgeefster geen loonsanctie op te leggen, stand houdt. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit zal ongegrond worden verklaard.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het in hoger beroep door appellant betaalde griffierecht van € 122,-vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.S. van der Kolk en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2016.

(getekend) M. Greebe

(getekend) M.S.E.S. Umans

UM