Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2384

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-06-2016
Datum publicatie
27-06-2016
Zaaknummer
14/6338 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Onroerend goed in Marokko. Deviezenbeperking.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 34
Wet werk en bijstand 54
Wet werk en bijstand 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2016/136
USZ 2016/290 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6338 WWB

Datum uitspraak: 21 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 oktober 2014, 14/4172 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M. Kaouass, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2016. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Kaouass en E.M. Loukili als tolk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.A. Veenendaal.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen van 1 juni 1996 tot 1 november 2012, met onderbrekingen bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding van 14 oktober 2011, onder meer inhoudende dat appellante werkt als overblijfjuf op een school en dat appellant handelt in tweedehands computers, hebben handhavingsspecialisten van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader hebben de handhavingsspecialisten onder meer dossieronderzoek gedaan en appellanten op 24 april 2012 en 11 juli 2012 gehoord. Op 24 april 2012 heeft appellant onder meer verklaard dat hij sinds 2002 of 2003 een stuk grond in Marokko bezit en dat hij daar een huis op laat bouwen. Naar aanleiding van deze verklaring hebben de handhavingsspecialisten de onderzoeksresultaten neergelegd in een rapport van 3 augustus 2012 en het onderzoek overgedragen aan de sociale recherche van de DWI. Tevens heeft een handhavingsspecialist het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) verzocht onderzoek te doen naar het bezit van onroerende zaken van appellanten in Marokko. De Attaché voor Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Rabat (Attaché) heeft dit onderzoek in opdracht van het IBF uitgevoerd, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapportage van 15 januari 2013. Hieruit blijkt dat appellant in het bezit is van grond en een daarop gebouwde woning in Marokko (woning), waarvan de waarde door een taxateur op 28 december 2012 is vastgesteld op 744.000,- dirham, omgerekend circa € 66.960,-. De sociale recherche heeft appellanten vervolgens op 27 maart 2013 verhoord. De bevindingen van het onderzoek van de sociale recherche zijn neergelegd in een rapport van 28 maart 2013.

1.3.

De onderzoeksresultaten waren voor het college aanleiding om bij besluit van 16 april 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 juni 2013 (bestreden besluit), de bijstand over de periode van 4 augustus 2003 tot en met 31 oktober 2012 (te beoordelen periode) in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 52.267,57 bruto van appellanten terug te vorderen. Daarnaast heeft het college over de periode van 2007 tot en met 2009 een bedrag van € 1.788,47 netto inzake bijzondere bijstand en een bedrag van € 4.465,89 netto inzake kosten kinderopvang van appellanten teruggevorderd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting niet hebben gemeld dat appellant eigenaar is van een woning in Marokko met een waarde van € 66.690,- en daarom geen recht op bijstand hadden. Dat appellanten niet over hun vermogen kunnen beschikken gelet op een door hen gestelde deviezenbeperking, hebben zij niet aannemelijk gemaakt. De gestelde deviezenbeperking is niet onverkort op appellanten van toepassing omdat zij beiden naast de Marokkaanse nationaliteit over de Nederlandse nationaliteit beschikken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten. Het college heeft ten onrechte enkel op grond van de nationaliteit van appellanten geconcludeerd de deviezenbeperking niet van toepassing zou zijn. Appellanten hebben echter niet aannemelijk gemaakt dat zij niet over de woning kunnen beschikken.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat ten aanzien van de kosten kinderopvang bepalend is wat door de Raad wordt beslist ten aanzien van de (bijzondere) bijstand en dat het hoger beroep daarom is beperkt tot de intrekking en terugvordering van de (bijzondere) bestand.

4.2.

Een besluit tot intrekking van de bijstand is een voor betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de Svb rust.

4.3.

Niet in geschil is dat appellant in de te beoordelen periode eigenaar is van de woning in Marokko en dat appellanten daarvan geen melding hebben gemaakt bij het college. Voorts hebben appellanten niet betwist dat appellant over de woning kan beschikken, in die zin dat hij de woning kan verkopen of verhuren.

4.4.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.5.1.

Appellanten hebben allereerst aangevoerd dat de waarde van de woning te hoog is vastgesteld. De taxateur heeft de woning niet van binnen gezien en ten onrechte niet bij zijn taxatie betrokken dat de woning volgens appellanten binnen niet is afgebouwd. Anders dan appellanten betogen, betekent dit niet dat niet kan worden uitgegaan van de taxatie van een door de Attaché ingeschakelde beëdigde taxateur. De rechtbank heeft terecht betekenis toegekend aan de omstandigheid dat het rapport van de taxateur van 28 december 2012 een beschrijving van de woning en de wijk waarin die is gelegen bevat. De taxateur heeft de waardering van de woning nader gemotiveerd. Appellanten hebben de stelling dat de binnenzijde van de woning niet is afgebouwd en dat dit van substantiële invloed is op de vastgestelde waarde van de woning, niet met objectieve en verifieerbare stukken onderbouwd. Deze beroepsgrond kan dan ook niet slagen.

4.5.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat aan het proces-verbaal inzake waarneming waarin verslag wordt gedaan van een taxatie die op 5 december 2013 op verzoek van appellant is uitgevoerd geen betekenis toekomt. Uit dat proces-verbaal blijkt dat een rechter-commissaris ter plaatse is geweest en een persoon, wonende in dezelfde wijk, verklaarde dat de woning 376.000 dirham waard is, wat volgens appellanten overeenkomt met € 33.422,-. Niet blijkt welke deskundigheid deze persoon heeft en waar hij de taxatie op heeft gebaseerd. Gelet hierop is het college terecht uitgegaan van de waarde van de woning van € 66.960,-, zoals door de taxateur op 28 december 2012 is vastgesteld.

4.6.

Appellanten kunnen niet gevolgd worden in hun stelling dat de waarde van hun vermogen niet hoger was dan de voor hen geldende vermogensgrens omdat zij schulden hebben. Schulden kunnen in het kader van de toepassing van de bijstandswetgeving ten aanzien van het vermogen van de betrokkene uitsluitend in aanmerking worden genomen indien de betrokkene aannemelijk maakt dat zij bestaan, dat zij tijdens de bijstandsverlening (in termijnen) opeisbaar zijn en dat de crediteur de opeisbare betalingsverplichting daadwerkelijk afdwingt. Appellanten zijn daar niet in geslaagd. De door appellanten overgelegde verklaringen van geldlening, zijn achteraf opgesteld en bevatten geen objectieve en verifieerbare gegevens waaruit blijkt dat de lening daadwerkelijk is aangegaan en dat daarop feitelijk wordt afgelost. Ook anderszins hebben appellanten geen stukken overgelegd waaruit dat blijkt. Het college heeft bij de vaststelling van het vermogen van appellanten dan ook terecht geen rekening gehouden met de door appellanten gestelde schulden.

4.7.1.

Omdat appellant een onroerende zaak in eigendom heeft is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaak een bestanddeel vormt van het vermogen waarover appellanten daadwerkelijk beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkenen om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.7.2.

Appellanten hebben betoogd dat zij niet kunnen beschikken over de woning omdat het voor hen onmogelijk is om bij verkoop van de woning de opbrengst daarvan vanuit Marokko naar Nederland uit te voeren en zij hun vermogen daarom niet kunnen aanwenden voor levensonderhoud in Nederland. Appellanten hebben aangevoerd dat sprake is van een deviezenbeperking, waardoor de opbrengst van de verkoop van onroerende zaken in Marokko uitsluitend naar het buitenland kan worden uitgevoerd, voor zover de onroerende zaak oorspronkelijk is aangekocht met geld dat aantoonbaar vanuit het buitenland naar Marokko is overgemaakt.

4.7.3.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het aan appellanten is om aannemelijk te maken dat de in 4.7.2 genoemde deviezenbeperking op hen van toepassing is en dat zij als gevolg daarvan niet over de woning kunnen beschikken. Aan de door appellanten overgelegde verklaring van het Office des Changes van het Koninkrijk Marokko (Office) van 11 maart 2014 komt in dat verband geen betekenis toe, nu in deze verklaring wordt uitgegaan van de stelling van appellanten over de financiering van de woning met Marokkaanse dirhams. Daarbij komt dat in deze verklaring wordt uitgegaan van onjuiste persoonlijke gegevens van appellant betreffende zijn nationaliteit en zijn inkomen. Appellanten hebben in het geheel geen inzicht gegeven in de wijze waarop zij de woning in Marokko hebben gefinancierd. Gelet hierop hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat de gestelde deviezenbeperking aan het beschikken over de woning in Marokko in de weg staat.

4.8.

Dat het onredelijk zou zijn in het kader van deze procedure de bewijslast van de wijze waarop de woning is gefinancierd op appellanten te leggen, omdat zij de wijze van betaling niet kunnen bewijzen, wordt niet gevolgd. Appellanten hebben de inlichtingenverplichting geschonden. Gelet op 4.4 is het dan aan hen om aannemelijk te maken dat zij recht op (aanvullende) bijstand zouden hebben gehad indien zij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zouden hebben voldaan. Dat appellanten hierdoor worden geconfronteerd met bewijsnood, zoals zij hebben gesteld, betekent niet dat deze verdeling van de bewijslast onredelijk is. Appellanten hebben zich immers zelf in deze bewijspositie gebracht, door het college niet van de eigendom van de onroerende zaak op de hoogte te stellen.

4.9.

Uit 4.2 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en M. ter Brugge en J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2016.