Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2380

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-06-2016
Datum publicatie
27-06-2016
Zaaknummer
15/324 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Langdurigheidstoeslag. Inkomen en toepasselijke bijstandsnorm zijn juist vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/324 WWB

Datum uitspraak: 14 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

4 december 2014, 14/128 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellanten] te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. C.M.G.M. Raafs, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en, desgevraagd, nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2016. Appellanten zijn, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P.H.J.M. Kalmar.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) op basis van volledige arbeidsongeschiktheid verhoogd tot 100%. De dochter van appellanten heeft een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG). Zij is op [datum] 2012 21 jaar geworden.

1.2.

Appellanten hebben op 14 maart 2013 langdurigheidstoeslag aangevraagd op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.3.

Bij besluit van 16 mei 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 december 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan de afwijzing ligt ten grondslag dat op 15 maart 2013 (peildatum) het inkomen van appellanten boven de voor hen geldende bijstandsnorm ligt. Die norm is de norm voor gehuwden minus 10% omdat appellanten vanaf het moment dat hun dochter 21 jaar is de kosten met haar kunnen delen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de WWB, ten tijde van belang, verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen heeft en geen in aanmerking te nemen vermogen, als bedoeld in artikel 34 WWB, en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.

4.1.2.

In artikel 2, eerste lid, van de Verordening Langdurigheidstoeslag (Verordening LDT) van de gemeente Maastricht is bepaald dat laag inkomen een inkomen is dat niet hoger is dan 100% van de voor betrokkene geldende bijstandsnorm.

Artikel 4 van deze verordening, met het opschrift “Hardheidsclausule”, luidt:

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien strikte toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

4.1.3.

In de Verordening toeslagen en verlagingen WWB 2013 (Verordening bijstandsnormen) is bepaald hoe de bijstandsnorm wordt vastgesteld.

Artikel 4 van deze verordening luidt voor zover hier van belang:

1. De norm bedoeld in artikel 21, onderdeel c van de wet, wordt lager vastgesteld indien de gehuwden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de landelijke bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander.

4. Het eerste lid vindt geen toepassing indien de gehuwden de woning delen met een ander omdat die ander of een van de echtelieden verzorgingsbehoeftig is en anderszins zou zijn aangewezen op intramurale zorg.

5. Het eerste lid vindt geen toepassing indien de gehuwden de woning delen met uitsluitend eigen, stief- of pleegkinderen jonger dan 21 jaar of uitsluitend met eigen, stief- of pleegkinderen van 21 jaar of ouder met een in aanmerking te nemen inkomen van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000, of met uitsluitend eigen, stief- of pleegkinderen van 21 jaar of ouder met een studiebeurs ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 dan wel een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en schoolkosten op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.

4.2.

De beroepsgrond dat het inkomen onjuist is vastgesteld en de berekening daarvan niet inzichtelijk is, slaagt niet. Ter zitting heeft het college nog eens aangegeven dat voor de berekening per peildatum is uitgegaan van de uitsplitsing van de WAO-uitkering die door het UWV is gemaakt ten behoeve van die berekening door het college. Duidelijk is dat het college vervolgens de netto-uitkering en toeslag bij de berekening van het inkomen heeft meegenomen exclusief de verhoging van de WAO-uitkering vanwege hulpbehoevendheid. Daarbij is opgeteld de daadwerkelijk ontvangen belastingteruggave. Het college is bij de berekening uitgegaan van bedragen die appelanten ook daadwerkelijk hebben ontvangen. Deze bedragen zijn allemaal vermeld in het bestreden besluit. Daarmee heeft het college het inkomen zowel juist vastgesteld als die beslissing voldoende inzichtelijk gemaakt.

4.3.

Ook de toepasselijke bijstandsnorm is juist vastgesteld. Het college heeft terecht artikel 4, vijfde lid, van de Verordening bijstandsnormen niet toegepast. In dat artikellid is bepaald dat

- kort gezegd - de verlaging van de norm gehuwden achterwege blijft als zij of de woning uitsluitend delen met kinderen die jonger zijn dan 21 jaar of met kinderen ouder dan 21 jaar met een inkomen niet hoger – kort gezegd – dan de norm van het recht op studiefinanciering. De dochter is op de peildatum ouder dan 21 jaar en haar Wajong-uitkering is hoger dan de bedoelde inkomensnorm.

4.4.

De verlaging van 10 % van de gehuwdennorm zou volgens appellanten niet moeten worden toegepast. Onduidelijk is of appellanten daarmee een beroep doen op artikel 4, vierde lid, van de Verordening bijstandsnormen of artikel 4 van de Verordening LDT, maar in beide gevallen slaagt dat beroep niet. Artikel 4, vierde lid, van de Verordening bijstandsnormen bepaalt – kort gezegd dat de verlaging van de norm gehuwden achterwege blijft als betrokkenen de woning delen met iemand omdat diegene of een van de gehuwden verzorgingsbehoeftig is en anders aangewezen zou zijn op intramurale zorg. Appellant is hulpbehoevend, gelet op de door het UWV toegekende verhoging van de WAO-uitkering. Concrete aanwijzingen echter dat op de peildatum sprake is van verzorgingsbehoeftigheid in de zin van de Verordening bijstandsnormen, die maakt dat daarom appellanten de woning delen met hun dochter, zijn er niet. Het enkele feit dat de dochter een WAJONG-uitkering heeft betekent nog niet dat haar ouders met haar de woning delen omdat ze verzorgingsbehoeftig is. Ook blijkt niet dat de dochter bij appellanten woont in verband met de verzorgingsbehoefte van de appellant of dat één van beiden, als zij de woning niet zouden delen, aangewezen zou zijn op intramurale zorg. Daarom bestaat geen reden artikel 4, vierde lid, van de Verordening bijstandsnormen van toepassing te achten. In het kader van het toepassen van de hardheidsclausule van artikel 4 van de Verordening LDT zijn voor het bestaan van “onbillijkheden van overwegende aard” geen andere en concrete feiten en omstandigheden aangevoerd die tot dat oordeel nopen, zodat ook dat betoog niet kan slagen.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en A. Stehouwer en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2016.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

De griffier is buiten staat te ondertekenen

MK