Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2369

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-05-2016
Datum publicatie
27-06-2016
Zaaknummer
14-5981 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. Woonplaats. Dakloze uit Amsterdam. 7-dagen formulier. Appellant niet aangetroffen op de door hem opgegeven locatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/5981 WWB

Datum uitspraak: 31 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (rechtbank) van 14 oktober 2014, 14/5744 en 14/5764 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. van Hoof, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2016. Namens appellant is verschenen mr. Van Hoof. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. I van Kesteren.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 3 juni 2014 gemeld voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Daarbij heeft appellant aangegeven dat hij op straat verblijft. Op 18 juni 2014 heeft hij een aanvraag ingediend. Appellant heeft over de periode van

3 juni 2014 tot en met 25 juni 2014 zogenoemde zevendagenformulieren ingeleverd. Op het formulier “Opgave verblijfslocatie(s) dak- en thuisloze” (opgaveformulier) heeft hij op

26 juni 2014 één locatie in Amsterdam opgegeven, te weten de zogenoemde Vluchtgarage.

1.2.

Handhavingsspecialisten van de afdeling Controle van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) hebben een onderzoek ingesteld naar de woon- en verblijfsituatie van appellant. In dat kader hebben zij administratief onderzoek verricht en

op 3 en 8 juli 2014 bezoeken afgelegd op de opgegeven locatie. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 8 juli 2014.

1.3.

Bij besluit van 9 juli 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 september 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. Aan de afwijzing heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Appellant is niet aangetroffen op de opgegeven locatie.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat het college onzorgvuldig onderzoek heeft verricht. Het is onduidelijk of de handhavingsspecialisten de juiste locatie hebben bezocht. Appellant heeft aldoor in de Vluchtgarage verbleven. De Vluchtgarage is een groot kantoorpand met een parkeergarage en heeft diverse ingangen. In de periode hier van belang verbleven ruim 100 mensen in de Vluchtgarage. Dat de handhavingsspecialisten slechts enkele mensen hier hebben aangetroffen is daarom onwaarschijnlijk. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter ten onrechte het verzoek van appellant om de handhavingsspecialisten als getuigen te horen afgewezen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 3 juni 2014 (datum melding) tot en met

9 juli 2014 (datum afwijzing).

4.2.

Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen, onder meer over zijn woon- en verblijfplaats. Naar vaste rechtspraak (uitspraak van 13 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:15) kan ook van iemand die stelt dak- of thuisloos te zijn worden gevergd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de aanvrager niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Zoals ook uit de uitspraak van 3 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3823) valt af te leiden, hanteert de DWI het onder 1.1 genoemde zevendagenformulier (formulier 1) om vast te stellen of een betrokkene behoort tot de bijzondere doelgroep van dak- en thuislozen en/of Amsterdam de aangewezen centrumgemeente is. Op het formulier “Opgave verblijfslocatie(s) dak- en thuisloze” (formulier 2) dient de aanvrager te vermelden waar hij vanaf de datum van aanvraag verblijft of zal verblijven. Iedere wijziging dient te worden doorgegeven. Bij de invulling en ondertekening van formulier 2 wordt een en ander standaard met de aanvrager besproken en aangegeven dat deze werkwijze noodzakelijk is uit een oogpunt van efficiënte controle. Doorgaans vindt binnen twee á drie weken een adres- of locatiebezoek plaats ter verificatie van de opgegeven verblijfplaats(en). Leidend voor de vaststelling waar men verblijft is in beginsel het adres of de locatie waar men de nacht doorbrengt.

4.4.

Appellant heeft op formulier 2 van 26 juni 2014 opgegeven te verblijven in de Vluchtgarage aan [adres] . Daarbij heeft appellant vermeld dat dit een kraakpand betreft en dat hij daar tot 7:00 uur aanwezig is. Voorts heeft appellant vermeld “3 trappen op en op de derde verdieping naar buiten naar de garage”.

4.5.

Uit het rapport van 8 juli 2014 blijkt dat twee handhavingsspecialisten van de DWI op

3 juli 2014 omstreeks 6:45 uur een bezoek hebben afgelegd op de door appellant opgegeven locatie in de Vluchtgarage. Appellant is daar niet aangetroffen. Op de tweede etage werden twee personen aangetroffen en op de derde etage niemand. Op 8 juli 2014 omstreeks 6:45 uur is wederom de opgegeven locatie bezocht. Appellant is niet aangetroffen. Op de tweede etage werden twee personen slapend aangetroffen en een persoon biddend. Op de derde etage werd niemand aangetroffen. In een e-mail van 28 augustus 2014 heeft de handhavingsspecialist

J. van Geijten nader toegelicht dat zij alleen de garage van het pand hebben bezocht en niet alle vertrekken. Zij hebben het pand betreden via het trappenhuis.

4.6.

Gelet op 4.4 en 4.5 moet worden geconcludeerd dat appellant onjuiste opgave heeft gedaan van zijn feitelijke verblijfplaats(en). Appellant is niet aangetroffen op de door hem opgegeven locatie. Anders dan appellant heeft betoogd, bestaat er geen aanleiding te twijfelen of de handhavingsspecialisten de juiste locatie hebben bezocht. Niet in geschil is dat het kraakpand dat als de Vluchtgarage wordt aangeduid een kantoorpand en een garage omvat en dat de garage per etage kan worden betreden. Appellant heeft opgegeven in de garage op de derde verdieping te verblijven. De handhavingsspecialisten hebben deze locatie in de Vluchtgarage ook bezocht en om verwarring over het begrip “derde verdieping” de tweede en derde etage onderzocht. De door appellant gestelde omstandigheid dat in de periode hier van belang dagelijks ruim 100 mensen in de Vluchtgarage verbleven, doet niet af aan de onderzoeksbevindingen nu niet is uitgesloten dat het merendeel van de mensen in (de vertrekken van) het kantoorpand verbleef en slechts een aantal in de garage. De handhavingsspecialisten mochten uitgaan van de opgave van appellant op formulier 2 en waren niet gehouden alle andere ruimtes en etages van de Vluchtgarage te bezoeken. Nu er geen onduidelijkheid bestond over de vraag of de juiste locatie in de Vluchtgarage is bezocht, heeft de voorzieningenrechter kunnen afzien de handhavingsspecialisten als getuigen te horen.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld. De aanvraag om bijstand is dan ook terecht afgewezen.

4.8.

Uit 4.7 vloeit voort dat het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2016.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) C. Moustaïne

JL