Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2357

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-06-2016
Datum publicatie
27-06-2016
Zaaknummer
14/4400 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Geldtransacties. Voldoende aannemelijk dat appellant de transacties heeft verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4400 WWB

Datum uitspraak: 21 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

24 juni 2014, 13/341 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. Velthorst, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Velthorst. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. J.M. Boegborn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 1996 bijstand, ten tijde in geding ingevolge de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van informatie van een inspecteur van politie (inspecteur), werkzaam bij de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU), over in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (WWFT) gemelde verdachte transacties waarbij appellant betrokken was, heeft de afdeling Handhaving van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de bijstandbehoevendheid van appellant. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer kennisgenomen van het op 2 januari 2012 door de inspecteur opgemaakte proces-verbaal, dossieronderzoek verricht en appellant op 19 maart 2012 verhoord. Van het onderzoek is op 20 maart 2012 een proces-verbaal uitkeringsfraude opgemaakt.

1.3.

Appellant heeft op 19 maart 2012 verklaard dat hij geld via grenswisselkantoren dan wel via Goffichange of de Postbank heeft verstuurd en ook wel eens geld via deze instellingen heeft ontvangen en dat hij soms wel betaald kreeg voor het overmaken van geld, maar dat het totale bedrag van € 22.811,- dat hij volgens het proces-verbaal uitkeringsfraude zou hebben overgemaakt, niet klopt. Voorts heeft hij verklaard dat het zou kunnen dat hij op 16 juni 2002 € 2.112,- heeft verstuurd in verband met het overlijden van zijn moeder, dat hij op 4 juli 2007 € 468,- heeft overgemaakt aan zijn dochter [X.], dat het bedrag van € 5.150,- dat op 11 augustus 2007 is overgemaakt naar de Dominicaanse Republiek niet van hem was en, geconfronteerd met een transactie op 1 februari 2008 naar [V.] (V) in de Dominicaanse Republiek, dat V zijn vriendin is en dat hij wel geld aan haar overmaakte als ze op vakantie was. Over de andere in het proces-verbaal uitkeringsfraude opgenomen en tijdens het verhoor aan hem voorgehouden transacties heeft appellant verklaard zich deze niet te herinneren of deze niet te hebben verricht.

1.4.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 26 september 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 januari 2013 (bestreden besluit), de bijstand van appellant over de vijftien maanden waarin transacties hebben plaatsgevonden in de periode van 1 maart 2001 tot en met 31 maart 2010 in te trekken en de kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 15.231,19 (bruto) van appellant terug te vorderen. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant in die periode een aantal stortingen heeft verricht en geld heeft ontvangen. Gelet op het aantal transacties en de daarmee gemoeide bedragen is volgens het college sprake van activiteiten die in het economisch verkeer op geld waardeerbaar zijn. Appellant heeft zijn inlichtingenverplichting geschonden door deze transacties niet bij het college te melden. Als gevolg daarvan kan over de maanden waarin transacties hebben plaatsgevonden het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2.1.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarbij heeft hij aangevoerd dat hij met het grootste gedeelte van de in het proces-verbaal van de inspecteur en het proces-verbaal uitkeringsfraude opgenomen transacties onbekend is en dat misbruik moet zijn gemaakt van zijn identiteitsgegevens.

2.2.

Nadat de zaak bij de rechtbank op zitting was behandeld, heeft de rechtbank het onderzoek heropend om appellant in de gelegenheid te stellen de uitkomst van het onderzoek naar het proces-verbaal van de inspecteur door de rechter-commissaris in het kader van het tegen appellant lopende strafrechtelijk onderzoek, af te wachten. Appellant heeft vervolgens het proces-verbaal van het verhoor van de inspecteur door de rechter-commissaris van

11 september 2013 overgelegd. De inspecteur heeft verklaard dat de instanties die de transacties ingevolge de WWFT bij de FIU hebben gemeld, geldtransactiekantoren met een vergunning zijn. Een transactiekantoor is wettelijk verplicht voor transacties die gemeld moeten worden de identiteit van de opdrachtgever vast te stellen. Het transactiekantoor mag geen genoegen nemen met een kopie van een identiteitsbewijs. De inspecteur veronderstelt dat het transactiekantoor een kopie maakt en deze bewaart, zoals dat onder de aan de WWFT voorafgaande Wet melding ongebruikelijke transacties was vereist. Op de transactieoverzichten die bij zijn proces-verbaal van 2 januari 2012 zijn bijgevoegd, is aangegeven welk identiteitsbewijs is gebruikt. Voorts moet de opdrachtgever een formulier invullen en ondertekenen.

2.3.

Vervolgens heeft de sociale recherche nader onderzoek verricht, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een aanvullend proces-verbaal van 2 december 2013 (aanvullend proces-verbaal). Medewerkers van GWK Travelex en Western Union hebben blijkens het aanvullend proces-verbaal desgevraagd aan de sociale recherche meegedeeld dat bij iedere transactie een formulier moet worden ingevuld en dat het gebruikelijk is dat het betreffende kantoor een kopie maakt van het door de klant gebruikte legitimatiebewijs. Deze gegevens moeten in principe zeven jaar bewaard worden. Van de op naam van appellant verrichte transacties vanaf 2007 heeft de sociale recherche vervolgens de gegevens opgevraagd. Vier transacties dateerden op dat moment van langer dan zeven jaar geleden en daarvan waren geen gegevens meer beschikbaar.

2.4.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant ontkent de door het college gestelde transacties te hebben verricht, behoudens de transactie in verband met het overlijden van zijn moeder, de transactie met zijn dochter en de transactie met zijn vriendin V. Hij heeft geen betaling voor de transacties ontvangen en dat heeft hij ook niet tegenover de sociale recherche verklaard. Hij is dan ook in de strafzaak vrijgesproken van overtreding van artikel 227 van het Wetboek van Strafrecht. Het onderzoek is onvolledig geweest, een deskundige had het handschrift van appellant moeten vergelijken met het handschrift op de transactieformulieren. Ten onrechte heeft de rechtbank het verzoek van appellant tot benoeming van een handschriftdeskundige niet gehonoreerd. Appellant verkeert in bewijsnood en vergelijking van zijn handtekening met de handtekeningen op de formulieren betreffende de transacties is voor hem de enige mogelijkheid om te kunnen aantonen dat hij het grootste deel van de transacties niet heeft verricht. In hoger beroep heeft appellant zijn verzoek tot benoeming van een handschriftdeskundige herhaald.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college de besluitvorming mede mocht baseren op het proces-verbaal van 2 januari 2012 en dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag vormen voor de conclusie van het college dat appellant de in het proces-verbaal uitkeringsfraude vermelde transacties heeft verricht.

4.2.1.

Blijkens het proces-verbaal uitkeringsfraude heeft appellant in de periode van 19 maart 2001 tot en met 24 maart 2010 een bedrag van in totaal € 22.811,- overgemaakt naar verschillende personen, met name in de Dominicaanse Republiek en Bolivia en heeft hij in die periode een bedrag van in totaal € 6.306,- ontvangen. Het gaat om vijftien door de inspecteur gemelde transacties. Appellant heeft niet betwist dat de ID-nummers die op de bij het proces-verbaal van de inspecteur vermelde overzichten van de transacties zijn vermeld overeenkomen met de nummers van de ID-bewijzen van appellant ten tijde van die transacties.

4.2.2.

Blijkens de verklaring van de inspecteur bij de rechter-commissaris en blijkens mededelingen van medewerkers van transactiekantoren aan de sociale recherche, zoals vermeld in het aanvullend proces-verbaal, stelt het transactiekantoor de identiteit van de betrokkene vast aan de hand van een origineel identiteitsbewijs. Niet gesteld of gebleken is dat appellant in de te beoordelen periode aangifte heeft gedaan van vermissing of ontvreemding van zijn identiteitsbewijs of zijn identiteitsbewijs kwijt is geweest.

4.2.3.

Ter zitting in hoger beroep heeft appellant gesteld dat bij een aantal transacties een adres is vermeld waar hij ten tijde van die transacties niet meer woonde, maar deze stelling heeft hij verder niet onderbouwd.

4.2.4.

De op verzoek van de sociale recherche opgevraagde bescheiden van de transacties vanaf 2007 bieden voorts geen enkel aanknopingspunt voor de conclusie dat deze valselijk zouden zijn opgemaakt.

4.2.5.

Dat appellant deze transacties zelf heeft verricht vindt voorts steun in zijn verklaring tegenover de sociale recherche dat hij wel eens geld heeft verstuurd en heeft ontvangen en wel eens betaald heeft gekregen voor het versturen van geld.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Geen aanleiding bestaat hiervan in dit geval af te wijken. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn verklaringen, zoals weergegeven in 1.3, niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd. Appellant heeft voorts geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat hij wegens ziekte niet naar waarheid heeft kunnen verklaren, zoals hij ter zitting in hoger beroep heeft betoogd. De verklaring van appellant vindt bovendien steun in het proces-verbaal van de inspecteur.

4.4.

Gelet op 4.2 en 4.3 bestond voor de rechtbank en bestaat ook voor de Raad geen grond voor benoeming van een handschriftdeskundige, zoals appellant heeft bepleit.

4.5.

Door van het verrichten van geldtransacties geen melding te maken, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Dat de politierechter appellant heeft vrijgesproken van overtreding van artikel 227 van het Wetboek van Strafrecht, zoals appellant heeft gesteld, doet daaraan niet af, reeds omdat in het strafrecht een andere bewijsmaatstaf geldt dan in dit geding van toepassing is.

4.6.

De gestelde bewijsnood heeft appellant over zichzelf afgeroepen. Het vertrekpunt in deze zaak is immers dat appellant - in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting - heeft nagelaten het college tijdig en volledig in te lichten over de door hem verrichte geldtransacties. Daarmee is aan het college de mogelijkheid onthouden om zich een actueel beeld te vormen van de feiten en omstandigheden die voor de bijstandsverlening van belang zijn en om, waar nodig, meteen controlerend en bijsturend op te treden.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en A.M. Overbeeke en

M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2016.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) A. Stuut

IJ