Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2349

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-06-2016
Datum publicatie
27-06-2016
Zaaknummer
14/5762 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Autohandel. Geen dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5762 WWB

Datum uitspraak: 21 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

8 oktober 2014, 14/79 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.H.M. Verstraten, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2016. Appellanten zijn, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E.M.J. Peerbooms.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvangen sinds 1 januari 1996 bijstand, ten tijde in geding ingevolge de Wet Werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Na eerder onderzoek in 2011 en IB signalen op 1 juni 2012 en 1 oktober 2012 hebben twee sociaal rechercheurs van de regio Noord-Limburg eind 2012, begin 2013 onderzoek gedaan naar het op naam hebben en van naam gaan van auto’s dan wel handel in auto’s door appellanten. Daarbij is vastgesteld dat tussen 26 september 2011 en 20 maart 2013 dertien kentekens van auto’s op naam van appellant of appellante geregistreerd hebben gestaan, waarbij in de volgende acht maanden registraties van auto’s op hun naam zijn beëindigd: oktober en november 2011 en maart, mei, augustus, september, november en december 2012 (maanden in geding). De sociaal rechercheurs hebben appellanten verzocht gegevens te verstrekken over de in- en verkoop van auto’s en over de verdiensten hieruit en hebben appellanten op 22 april 2013 gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in rapporten van 22 april 2013 en 23 augustus 2013.

1.3.

Bij besluit van 26 augustus 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 december 2013 (bestreden besluit) heeft het college de bijstand over de maanden in geding ingetrokken, de over die maanden ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 13.761,97 bruto van appellanten teruggevorderd en bepaald dat het teruggevorderde bedrag wordt verrekend met de uitkering door maandelijks een bedrag van € 119,12 (10% van de bijstandsnorm) op de bijstand in te houden (verrekening). Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten onvoldoende verifieerbare inlichtingen hebben verstrekt over de verkoop van auto’s waardoor het recht op bijstand over de maanden in geding niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellanten hebben aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden. De auto’s zijn gebruikt voor hun hobby, namelijk het rijden van autocrosses met oude, afgeschreven auto’s (wrakkenraces) die na een race meestal naar de sloop gingen. Zij hebben diverse malen met hun bijstandsconsulent over deze hobby gesproken, waarbij hen nooit is gevraagd in verband hiermee een financiële boekhouding bij te houden. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.1.1.

Transacties met auto’s zijn handelingen waarvan het appellanten redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, zodat appellanten op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB gehouden waren deze transacties en de opbrengst ervan bij het college te melden. Artikel 17, eerste lid, van de WWB is een objectief geformuleerde verplichting, waarbij niet relevant is of appellanten bewust de informatie voor het college hebben willen achterhouden. Uitsluitend moet worden beoordeeld of appellanten de hier aan de orde zijnde gegevens hadden moeten overleggen en dit hebben nagelaten (vergelijk de uitspraak van 8 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:911). De gestelde omstandigheid dat de bijstandsconsulent van de hobby van appellanten op de hoogte was en geen boekhouding heeft verlangd, kan aan die gehoudenheid om de transacties te melden niet afdoen. Het feit dat het om oude auto’s gaat die slechts voor de sloop bestemd zijn, betekent niet dat de transacties geen invloed op de verlening van bijstand hebben of kunnen hebben. Vergelijk de uitspraak van 5 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BK97896. Hierbij wordt nog opgemerkt dat uit het onderzoeksrapport van 22 april 2013 niet blijkt dat de auto’s voor de sloop waren bestemd nu elf van de auto’s op naam van een andere eigenaar zijn gesteld of zijn geëxporteerd na beëindiging van de registratie op naam van appellant(e).

4.2.

Appellanten hebben tevens aangevoerd dat ondanks het ontbreken van informatie over de opbrengst van de transacties het recht op bijstand kan worden vastgesteld, nu het overduidelijk is dat het gaat om voertuigen die geen enkele commerciële waarde vertegenwoordigden. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.

4.2.1.

Gelet op de beschikbare gegevens heeft het college aannemelijk gemaakt dat appellanten inkomsten in verband met de overdracht van de auto's hebben verworven of redelijkerwijs hebben kunnen verwerven in de maanden waarin de registraties bij de Dienst Wegverkeer zijn beëindigd. Van de transacties zijn geen deugdelijke aankoopbewijzen en verkoopbewijzen voorhanden. Ook overigens ontbreken controleerbare gegevens, zodat als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting over de maanden in geding het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Vergelijk de uitspraak van 17 juli 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB1640. Het college was daarom gehouden met toepassing van

artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de WWB de bijstand over deze maanden in te trekken.

4.3.

Appellanten hebben verder aangevoerd dat aanleiding bestaat om, in ieder geval over de periode vóór 1 januari 2013, alsnog van terugvordering van de te veel betaalde bijstand af te zien. Zij leven al jaren op bijstandsniveau en dienen thans onder bijstandsniveau te leven, wat gelet op hun gezondheidsklachten niet mogelijk is. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.

4.3.1.

Nu het terugvorderingsbesluit dateert van na 1 januari 2013 was het college op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB, zoals dat luidt vanaf 1 januari 2013, gehouden de gemaakte kosten van bijstand van appellanten terug te vorderen. Hantering van deze bepaling zou in strijd kunnen komen met de rechtszekerheid indien dit tot een voor appellanten ongunstiger resultaat zou leiden dan onder het oude recht mogelijk was. Zie de uitspraak van 15 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:952. Appellanten hebben zich daar echter niet op beroepen zodat dit aspect hier verder buiten bespreking kan blijven.

4.3.2.

Op grond van artikel 58, achtste lid, van de WWB kan het college op grond van dringende redenen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dringende redenen kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin aannemelijk moeten maken. Zie de uitspraak van

15 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:952.

4.3.3.

Met de in 4.3 genoemde omstandigheden hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat zich dringende redenen voordoen in de in 4.3.2 bedoelde zin, zodat het college niet de bevoegdheid toekwam om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Hierbij wordt opgemerkt dat appellanten niet hebben aangevoerd dat hun inkomen lager is dan de voor hen geldende beslagvrije voet. Bovendien kunnen zij bij de verrekening zo nodig de bescherming inroepen van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.4.

Tegen de verrekening hebben appellanten geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.

4.5.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en W.F. Claessens en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2016.

(getekend) M. Hillen

(getekend) B. Fotchind

HD