Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2348

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-06-2016
Datum publicatie
27-06-2016
Zaaknummer
14/6276 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vestigen krediethypotheek. Begrip eigen woning. Beschikken over het in de woning verbonden vermogen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 34
Wet werk en bijstand 50
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2016/289 met annotatie van H.W.M. Nacinovic
NJB 2016/1569
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6276 WWB

Datum uitspraak: 21 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

9 oktober 2014, 13/7974 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W. Dieks, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dieks. Het college is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant woont in een woning aan [het adres] te [woonplaats] (woning). Hij heeft de woning op 28 januari 1992 gekocht, waarna deze ook aan hem is geleverd. Appellant heeft op 28 januari 1992, destijds een in een notariële akte vastgelegde overeenkomst (overeenkomst) de woning verkocht aan zijn ouders en de economische eigendom aan hen overgedragen. In de overeenkomst is opgenomen dat vanaf 28 januari 1992 alle baten en lasten ten aanzien van de woning voor rekening van de ouders komen en dat de ouders bevoegd zijn tot het verrichten van alle feitelijke handelingen en rechtshandelingen met betrekking tot de woning als waren zij eigenaar. Voorts bevat de overeenkomst een onherroepelijke volmacht van appellant aan zijn ouders, met de bevoegdheid voor de ouders een ander voor hen in de plaats te stellen om op hun naam desgewenst te verrichten alle feitelijke handelingen en rechtshandelingen met betrekking tot de woning, ook met zichzelf als wederpartij. Tevens is op 28 januari 1992 ten behoeve van de Internationale Nederlanden Bank N.V. een hypotheekovereenkomst gesloten met als onderpanden de woning en de ouderlijke woning. Deze hypotheekovereenkomst vermeldt appellant en zijn ouders als schuldenaren en verwijst naar de overeenkomst van dezelfde datum. Appellant staat sinds 30 januari 1992 bij het kadaster geregistreerd als eigenaar van de woning.

1.2.

Appellant heeft zich op 28 maart 2013 gemeld om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen.

1.3.

Bij besluit van 17 september 2013 heeft het college appellant met ingang van

28 maart 2013 bijstand toegekend in de vorm van een geldlening naar de norm voor een alleenstaande, vermeerderd met een toeslag van 10%. Daarbij heeft het college appellant de verplichting opgelegd om voor 1 januari 2014 mee te werken aan het vestigen van een krediethypotheek.

1.4.

Bij besluit van 18 november 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 17 september 2013 gegrond verklaard voor wat betreft de verplichting tot het meewerken aan het vestigen van een krediethypotheek en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Het besluit berust op de grond dat appellant juridisch eigenaar is van de woning en deze als eigenaar bewoont. Nu de waarde van de woning minus de erop rustende schuld meer bedraagt dan het vrij te laten vermogen in de eigen woning van € 48.900,- moet de bijstand in de vorm van een geldlening worden verstrekt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 28 maart 2013 tot en met 17 september 2013.

4.2.

Artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bepaalt dat onder vermogen wordt verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering. Ingevolge artikel 34, tweede lid, aanhef en onder d, van de WWB, zoals die bepaling ten tijde hier van belang luidde, wordt niet als vermogen in aanmerking genomen het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 50, eerste lid, voor zover dit minder bedraagt dan € 48.900,-.

4.3.

Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de WWB heeft de belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf recht op bijstand voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring, van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd. Artikel 50, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB bepaalt dat indien voor de belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, recht op algemene bijstand bestaat, die bijstand de vorm van een geldlening heeft voor zover het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf hoger is dan het vermogen, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel d.

4.4.

Het college is voor de waarde van de woning van appellant uitgegaan van de waarde van de woning op grond van de Wet waardering onroerende zaken die voor 2013 was vastgesteld op € 149.000,-. In de aangevallen uitspraak is vastgesteld dat er een hypotheekschuld resteert van ongeveer € 33.000,-. Tegen de waarde van de woning en de hoogte van de hypotheekschuld heeft appellant geen gronden aangevoerd. Vaststaat daarom dat het in de woning gebonden vermogen ten tijde van de aanvraag een waarde had die hoger was dan

€ 48.900,-.

4.5.

Appellant heeft aangevoerd dat het begrip eigenaar in artikel 50, eerste lid, van de WWB anders moet worden uitgelegd dan in het Burgerlijk Wetboek. In de WWB staat de vraag centraal of een belanghebbende in bijstandsbehoeftige omstandigheden verkeert. Appellant is slechts juridisch eigenaar van de woning en zijn ouders zijn de economische eigenaren. De ouders kunnen alle rechtshandelingen ten aanzien van de woning verrichten. Voor de WWB gaat het erom wie de economische eigendom heeft. Appellant heeft geen vermogen waarover hij beschikt of kan beschikken, hij kan de woning niet in eigendom overdragen en hij krijgt bij een verkoop van de woning niet de beschikking over de opbrengst van de verkoop.

4.6.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant over het in de woning verbonden vermogen kan beschikken. Indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan genoteerd is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.7.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 23 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0086) moet, mede gelet op artikel 11 van de WWB, de term beschikken zo worden uitgelegd dat deze ziet op de mogelijkheid voor een betrokkene om de bezitting feitelijk aan te wenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

4.8.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat economische eigendom geen eigendom is en met dit begrip slechts wordt gedoeld op het bestaan van een aantal verbintenisrechtelijke rechten en verplichtingen met betrekking tot een zaak, die niet in alle gevallen dezelfde inhoud behoeven te hebben (uitspraak van 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9687). De overeenkomst tussen appellant en zijn ouders, waarin deze verbintenisrechtelijke rechten en verplichtingen worden genoemd, bindt alleen deze betrokkenen. Derden zijn niet aan de overeenkomst gebonden. Dat leidt ertoe dat appellant, omdat hij de woning in 1992 niet aan zijn ouders heeft geleverd, in de te beoordelen periode over de woning kon beschikken. Hij kon deze verkopen en leveren en over de opbrengst, na aftrek van kosten, beschikken. Een verkoop en levering van de woning door appellant aan derden levert wellicht wanprestatie op ten aanzien van zijn ouders, maar leidt er niet toe dat appellant niet over de woning kon beschikken of redelijkerwijs kon beschikken.

4.9.

De verklaring bij de rechtbank van notaris [W.] (W) leidt niet tot een ander oordeel. Ter zitting bij de rechtbank heeft W verklaard dat bij een verkoop en overdracht van de woning door appellant aan derden de notaris, die deze transactie in behandeling neemt, zal gaan rechercheren, omdat die notaris de hypotheekovereenkomst zal aantreffen met de verwijzing naar de economische overdracht van appellant aan zijn ouders. De notaris zal vanwege zijn beroepsethiek in dat geval niet meewerken aan een verkoop en levering door appellant. Appellant kan alleen aan zijn ouders leveren. In alle andere gevallen pleegt hij wanprestatie. De juridische eigendom van appellant heeft geen feitelijke waarde. Uit het proces-verbaal van de zitting van 15 september 2014 blijkt niet dat W als deskundige is gehoord. W is een kantoorgenoot van de notaris die in 1992 betrokken was bij het opstellen van de drie overeenkomsten van 28 januari 1992. W heeft een betoog gehouden ter ondersteuning van het standpunt van appellant en is daardoor feitelijk als medegemachtigde opgetreden. De stelling van W dat geen notaris zal meewerken aan een verkoop en levering door appellant aan een derde heeft appellant niet onderbouwd en daarom niet aannemelijk gemaakt.

4.10.

Gelet op 4.1 tot en met 4.9 slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2016.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) M.S. Boomhouwer

MK