Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2347

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-06-2016
Datum publicatie
23-06-2016
Zaaknummer
15/598 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Berekening ziekengeld. Hoogte dagloon.

Wetsverwijzingen
Dagloonbesluit werknemersverzekeringen
Dagloonbesluit werknemersverzekeringen 4
Dagloonbesluit werknemersverzekeringen 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2016/274
SZR-Updates.nl 2016-0658
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/598 ZW

Datum uitspraak: 22 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

23 december 2014, 14/3677 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J. Geuze, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2016. Appellante is vertegenwoordigd door mr. Geuze. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. I. Smit.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is op 5 oktober 2012 in dienst getreden bij [naam B.V.] (werkgeefster). Op 20 december 2012 is zij wegens ziekte uitgevallen voor haar werkzaamheden. Op 5 oktober 2013 is het dienstverband geëindigd.

1.2.

Bij besluit van 9 oktober 2013 heeft het Uwv appellante met ingang van 7 oktober 2013 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Daarbij is het dagloon vastgesteld op € 19,16.

1.3.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen vastgestelde dagloon. Bij beslissing op bezwaar van 14 oktober 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de referteperiode liep van 5 oktober 2012 tot en met 31 oktober 2012, dat blijkens de polisadministratie de werkgeefster bij de loonaangifte bij de Belastingdienst aangiftetijdvakken van een maand hanteerde, die liepen van de eerste tot en met de laatste dag van de maand en dat appellante als uurloner uitbetaald kreeg over periodes van de vijftiende van de ene maand tot de vijftiende van de daaropvolgende maand. Als gevolg hiervan heeft de werkgeefster over de maand oktober 2012 vijf loondagen verantwoord over de periode van 5 oktober 2012 tot

15 oktober 2012 met een loon voor de sociale verzekeringswetten (sv-loon) van € 332,09. De rechtbank heeft overwogen dat uit artikel 4, eerste lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) voortvloeit dat hetgeen door de werkgeefster over de maand november 2012 aan loon is verantwoord ook geacht wordt in die, buiten de referteperiode gelegen, maand te zijn genoten. Dat de aangifte over de maand november 2012 deels betrekking heeft op gewerkte dagen in de maand oktober 2012 doet hier niet aan af. De in artikel 4, tweede lid, van het Dagloonbesluit geregelde uitzondering op dit uitgangspunt doet zich in dit geval niet voor. De rechtbank heeft onderkend dat onverkorte toepassing van het Dagloonbesluit in een geval als van appellante ertoe leidt dat de hoogte van de

ZW-uitkering niet aansluit op het door de werkgeefster betaalde loon, maar dit levert geen grond op om af te wijken van de bepalingen van het Dagloonbesluit. Het is aan de wet- en regelgever om eventuele onredelijke en niet beoogde effecten van het in het Dagloonbesluit neergelegde uitgangspunt dat de loonaangifte bepalend is, teniet te doen. Evenmin levert deze omstandigheid grond op voor het oordeel dat artikel 4 van het Dagloonbesluit een onaanvaardbare afwijking inhoudt van artikel 15, eerste lid, van de ZW.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het uitgangspunt van de ZW is dat de uitkering gerelateerd wordt aan het werkelijk verdiende loon. Als uitvoeringsmaatregelen zoals het Dagloonbesluit afbreuk doen aan dat wettelijke uitgangspunt, moeten deze in zoverre als onverbindend worden beschouwd. Voorts is het begrip “aangiftetijdvak” in het Dagloonbesluit verruimd voor gevallen dat de werkgever over een afwijkend tijdvak aangifte doet. Nu de werkgeefster van appellante over een afwijkend tijdvak aangifte doet, dient het aangiftetijdvak te worden herleid tot één maand, te weten van 1 oktober tot en met 31 oktober 2012. Het Uwv had de loongegevens bij de werkgeefster dienen uit te vragen en de aangiftes over oktober en een gedeelte van november tot één maand moeten herleiden, zodat duidelijk zou worden wat appellante voor haar werkzaamheden in de gehele maand oktober aan loon heeft ontvangen.

4. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.1.

Artikel 15, eerste lid, van de ZW luidt als volgt:

"1. Voor de berekening van het ziekengeld waarop op grond van deze wet aanspraak bestaat wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ongeschiktheid tot werken als bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid, is ingetreden, verdiende in de dienstbetrekking waaruit hij door ziekte arbeidsongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag.

2. Bij algemene maatregel van bestuur worden, onder meer, wanneer de dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, korter heeft geduurd dan het jaar, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld."

5.1.2.

In het Dagloonbesluit is voor zover hier van belang bepaald:

"Artikel 1. Definities

1. In dit besluit wordt verstaan onder:

a. aangiftetijdvak: het tijdvak van vier weken dan wel één maand waarop de aangifte waarop de ingehouden loonbelasting wordt afgedragen, betrekking heeft danwel, indien de werkgever over een afwijkend tijdvak aangifte doet, het tijdvak waarover loon is betaald van één maand of vier weken of herleid tot één maand of vier weken;

(…)

Artikel 2. Refertejaar voor ZW en WW

1. Onder refertejaar wordt in dit hoofdstuk de periode verstaan van een jaar die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte of het arbeidsurenverlies is ingetreden.

(…)

Artikel 3. Loonbegrip voor ZW en WW

1. Onder loon wordt in dit hoofdstuk verstaan loon in de zin van artikel 16 van de Wfsv, genoten in het refertejaar uit de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek of werkloos is geworden (…).

Artikel 4. Algemene bepalingen over het loon voor ZW en WW

1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.

(…)

Artikel 5. Dagloon voor ZW en WW

1. Het dagloon van uitkeringen op grond van de ZW is de uitkomst van de volgende berekening:

[(A – B) x 108/100 + C] / D

waarbij:

A staat voor het loon dat de werknemer in het refertejaar heeft genoten bij een werkgever die vakantiebijslag reserveert;

B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die de werknemer in het refertejaar heeft genoten;

C staat voor het loon dat de werknemer in het refertejaar heeft genoten bij een werkgever die geen vakantiebijslag reserveert; en

D staat voor 261 dan wel, indien de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek of werkloos is geworden is aangevangen na aanvang van het refertejaar, voor het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot en met de laatste dag van het refertejaar.

(…)"

5.2.

Appellante is wegens ziekte uitgevallen op 20 december 2012, zodat op grond van artikel 2, eerste lid, van het Dagloonbesluit het refertejaar liep van 1 november 2011 tot en met

31 oktober 2012. De dienstbetrekking waaruit appellante ziek is geworden is aangevangen op 5 oktober 2012. Blijkens de gegevens uit de polisadministratie (Suwinet) heeft de werkgeefster over de periode van 1 oktober 2012 tot en met 31 oktober 2012 een sv-loon van € 332,09 aangegeven over vijf sv-dagen met in totaal 35 verloonde uren. Dit betreft vijf dagen die appellante in de periode tot 15 oktober 2012 heeft gewerkt. De (tien) dagen die appellante in de periode van 15 tot en met 31 oktober 2012 heeft gewerkt zijn opgenomen in de loonaangifte over november. Het Uwv heeft het dagloon in het bestreden besluit herberekend door het over oktober aangegeven sv-loon met toepassing van de formule in artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit te delen door negentien dagloondagen. Dit resulteert in een dagloon van € 18,88. Omdat appellante door het maken van bezwaar niet in een slechtere positie mag komen te verkeren is het dagloon gehandhaafd op € 19,16.

5.3.

Dat het loon over de tweede helft van oktober 2012 niet is meegenomen in de dagloonberekening is een gevolg van het feit dat de werkgeefster dit heeft in opgenomen in de loonaangifte over november 2012, welke maand na het refertejaar ligt. Daarmee is een juiste toepassing gegeven aan artikel 4, eerste lid, van het Dagloonbesluit op grond waarvan appellante geacht wordt het loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgeefster van dat loon opgave heeft gedaan. Deze toepassing is overigens ook overeenkomstig de bedoeling van de besluitgever. Immers in de nota van toelichting bij artikel 4, eerste lid, van het Dagloonbesluit (Stb. 2013, 185, blz. 26) wordt herhaald wat ook al uit de tekst van de hiervoor behandelde bepalingen blijkt, namelijk dat het dagloon gebaseerd wordt op het loon dat de werknemer heeft genoten in de aangiftetijdvakken, gelegen in het refertejaar en dat de opgave van de werkgeefster aan de Belastingdienst bepalend is voor de toerekening van loon aan een bepaald aangiftetijdvak.

5.4.

De stelling van appellante dat de werkgeefster over een afwijkend tijdvak aangifte doet op grond waarvan volgens haar het loon dient te worden herleid naar de periode van 1 tot

31 oktober 2012, slaagt niet. Er is geen sprake van een afwijkend aangiftetijdvak als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van het Dagloonbesluit, nu de werkgeefster aangifte doet per maand.

5.5.

Hoewel de dagloonvaststelling voor appellante niet gunstig uitwerkt, is deze het gevolg van correcte toepassing van het Dagloonbesluit. Er is geen grond voor het oordeel dat deze toepassing, zoals appellante stelt, in strijd is met het uitgangspunt van de ZW dat de uitkering wordt gerelateerd aan het werkelijk genoten loon. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat artikel 15, eerste lid, van de ZW de referteperiode voor de bepaling van het dagloon definieert als de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ongeschiktheid tot werken is ingetreden. Daarmee is niet in strijd dat op grond van artikel 4, eerste lid, van het Dagloonbesluit het loon geacht wordt te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgeefster van dat loon opgave heeft gedaan.

5.6.

Uit wat in 5.1 tot en met 5.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en H.G. Rottier en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2016.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) B. Dogan

UM