Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2346

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-06-2016
Datum publicatie
27-06-2016
Zaaknummer
15/5826 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Hennepkwekerij. Berekening meerdere oogsten over deel van de periode kan aanwezigheid hennepkwekerij niet gebaseerd worden op rapport Liander. Besluit is onzorgvuldig voorbereid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5826 WWB

Datum uitspraak: 21 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

17 juli 2015, 14/5434 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Nijssen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Nijssen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E.A. Willems.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Op 29 augustus 2012 heeft de regiopolitie Kennemerland in de woning van appellant op zolder een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen, bestaande uit 75 hennepplanten. Naar aanleiding van een melding van de regiopolitie Kennemerland over het aantreffen van deze kwekerij, heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft een handhavingsspecialist onder andere kennis genomen van de aangifte diefstal energie van Liander en het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van de regiopolitie Kennemerland. Voorts is appellant op 24 juli 2013 en 26 september 2013 door sociaal rechercheurs gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 23 oktober 2013.

1.3.

Het college heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien om bij besluit van 15 mei 2014, voor zover hier van belang, de bijstand van appellant over de periode van 1 oktober 2011 tot en met 31 augustus 2012 in te trekken. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant heeft verzwegen dat in zijn woning een hennepkwekerij aanwezig was, zodat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Het college heeft de gemaakte kosten van bijstand, voor zover hier van belang, tot een bedrag van € 4.055,90 van appellant teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 19 november 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 15 mei 2014, voor zover hier van belang, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Een besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.2.

Vaststaat dat op 29 augustus 2012 in de woning van appellant een in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen.

4.3.

Ter zitting heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij niet langer bestrijdt dat er vanaf 1 mei 2012 een hennepkwekerij in zijn woning aanwezig was en hij vanaf dat moment de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Appellant betwist echter dat hij in de periode van 1 oktober 2011 tot en met 30 april 2012 een hennepplantage exploiteerde, zodat hij over die periode niet zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden.

Periode van 1 oktober 2011 tot en met 30 april 2012

4.4.

Ter onderbouwing van het standpunt dat er vóór 1 mei 2012 geen hennepkwekerij in zijn woning aanwezig was, heeft appellant onder andere gewezen op de verklaring die [D.]

(D) ter zitting bij de strafrechter heeft afgelegd. D heeft verklaard dat hij in

maart/april 2012 schilderwerkzaamheden op de zolder van appellant heeft verricht en dat er op dat moment geen hennepkwekerij op de zolder aanwezig was. Verder heeft appellant betoogd dat er in september 2011, november 2011, december 2011 en januari 2012 vijf afspraken met de reclassering bij hem thuis hebben plaatsgevonden en dat een hennepkwekerij door de reclasseringsmedewerker zou zijn opgemerkt. Voorts heeft appellant erop gewezen dat er in maart 2012 en april 2012 onderhoud is gepleegd aan zijn cv-ketel, die op zolder hangt, en dat de cv-installateur geen melding heeft gemaakt van een hennepkwekerij. Ten slotte heeft appellant betoogd dat uit de eindafrekening van Nuon blijkt dat er voor februari 2012 geen verhoogd energieverbruik was.

4.5.

Blijkens het bestreden besluit heeft het college de conclusie dat appellant zijn inlichtingenverplichting ook in de periode vóór 1 mei 2012 heeft geschonden door geen melding te maken van een in zijn woning aanwezige hennepkwekerij gebaseerd op de bevindingen van een fraudespecialist van Liander. Uit de in het dossier aanwezige aangifte van energiediefstal van Liander van 31 augustus 2012 volgt dat een medewerker van Liander aan de hand van de aangetroffen situatie ervan uitgaat dat in de periode van 1 oktober 2011 tot en met 29 augustus 2012 een hennepplantage in de woning van appellant aanwezig is geweest en dat in deze periode tenminste vier oogsten hebben plaatsgevonden. Uit deze aangifte blijkt echter niet op basis van welke gegevens de medewerker van Liander tot deze conclusies is gekomen. In de aangifte wordt niet beschreven wat er nu precies is aangetroffen en op welke wijze daaruit de conclusies kunnen worden getrokken. De regiopolitie Kennemerland komt in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij eveneens tot de conclusie dat er meerdere oogsten zijn geweest. In dit rapport wordt wel melding gemaakt van aangetroffen hennepresten, gebruikte potaarde in de achtertuin, kalkafzetting op plantenpotten, vervuiling van het koolstoffilter en stof op verschillende voorwerpen, zoals bedrading, het rotorblad van de ventilator, deurkozijnen en deuren, maar ook hieruit kan niet worden opgemaakt op welke wijze en aan de hand van welke gegevens de politie het aantal oogsten heeft berekend. Hieruit volgt dat het college zijn conclusie dat in de periode van

1 oktober 2011 tot en met 30 april 2012 een hennepkwekerij in de woning van appellant aanwezig was niet heeft kunnen baseren op de aangifte van Liander en het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij van de regiopolitie Kennemerland. Bovendien vindt het betoog van appellant dat er in de periode van 1 oktober 2011 tot

1 mei 2012 geen hennepkwekerij in zijn woning aanwezig is geweest steun in de verklaring van D, op grond waarvan de strafrechter appellant heeft vrijgesproken van het medeplegen van poging tot oplichting over de periode van 1 januari 2011 tot en met 30 april 2012. Het besluit van 15 mei 2014 is gelet hierop onzorgvuldig voorbereid, voor zover dit de periode van 1 oktober 2011 tot en met 30 april 2012 betreft. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat appellant in deze periode een hennepkwekerij exploiteerde.

Periode van 1 mei 2012 tot en met 31 augustus 2012

4.6.

Appellant heeft aangevoerd dat het college over deze periode zijn recht op bijstand ten onrechte heeft ingetrokken en dat het college ten onrechte de kosten van bijstand van hem heeft teruggevorderd, omdat hij geen inkomsten uit de hennepkwekerij heeft genoten. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat er in deze periode geen oogst heeft plaatsgevonden.

4.7.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Appellant is hierin niet geslaagd. De enkele stelling van appellant dat hij geen inkomsten of ander financieel voordeel heeft genoten uit het kweken van hennep, omdat de hennepplanten in beslag zijn genomen voordat er geoogst kon worden, is daarvoor in ieder geval onvoldoende. Het gaat hier immers om op geld waardeerbare arbeid waarvoor een vergoeding gebruikelijk is en bedongen kan worden. De waarde daarvan kan worden bepaald indien van de investeringen in en de exploitatie van de kwekerij een deugdelijke administratie voorhanden is. Een dergelijke administratie ontbreekt in dit geval, terwijl appellant bovendien, door niet aan het college te melden dat hij een hennepkwekerij exploiteerde en ook geen melding te maken van de in verband daarmee verrichte voorbereidingshandelingen, het college de mogelijkheid heeft ontnomen tijdig een onderzoek in te stellen naar de exacte omvang van de werkzaamheden en de inkomsten die appellant daaruit mogelijk had kunnen verwerven. Het standpunt van appellant dat er in de periode van 1 mei 2012 tot en met 31 augustus 2012 geen inkomsten zijn geweest uit de hennepkwekerij treft dan ook geen doel.

4.8.

Uit 4.4 tot en met 4.7 volgt dat, anders dan over de periode daarna, de intrekking van de bijstand over de periode van 1 oktober 2011 tot en met 30 april 2012 geen standhoudt. Dit heeft de rechtbank niet onderkend. Hieruit volgt dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover daarbij de intrekking over de periode van 1 oktober 2011 tot en met

30 april 2012 in stand is gelaten. Nu aan het besluit van 15 mei 2014 in zoverre hetzelfde, niet te herstellen, gebrek kleeft, zal de Raad tevens met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak voorzien door dat besluit in zoverre te herroepen. Omdat een terugvorderingsbesluit ondeelbaar is, zal het bestreden besluit voor zover het de terugvordering betreft in zijn geheel worden vernietigd.

4.9.

Het college dient, uitgaande van een intrekking van bijstand over de periode van

1 mei 2012 tot en met 31 augustus 2012, nog slechts de hoogte van de terugvordering opnieuw vast te stellen. De Raad kan deze berekening niet zelf maken. Daarom zal op dit punt een opdracht worden gegeven tot het nemen van een nieuw besluit op het bezwaar en ziet de Raad, nu het nog slechts gaat om een financiële uitwerking die naar verwachting geen nieuwe discussie zal opleveren, af van toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot finale geschillenbeslechting.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze worden begroot op € 992,- in beroep en op € 992,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand, in totaal dus € 1.984,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 19 november 2014 voor zover dit ziet op de intrekking van de bijstand over de periode van 1 oktober 2011 tot en met 30 april 2012 en de terugvordering;

  • -

    herroept het besluit van 15 mei 2014 voor zover dit ziet op de intrekking van de bijstand over de periode van 1 oktober 2011 tot en met 30 april 2012;

  • -

    draagt het college op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met betrekking tot de terugvordering;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.984,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De

beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2016.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) M.S. Boomhouwer

MK