Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2337

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-06-2016
Datum publicatie
23-06-2016
Zaaknummer
15-1211 TW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Juiste berekening van de toegekende toeslag op grond van de TW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 1211 TW

Datum uitspraak: 22 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

6 januari 2015, 14/3121 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. van de Wiel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek in de zaken met procedurenummers 15/1211 TW, 14/6280 WIA en 15/1213 WIA heeft gevoegd plaatsgehad op 30 maart 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Wiel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas. Na het onderzoek ter zitting zijn de zaken weer gesplitst. In de zaak met procedurenummer 14/6280 WIA is het onderzoek heropend.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 22 oktober 2013, gehandhaafd bij besluit van 5 mei 2014, heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 15 oktober 2012 recht is ontstaan op een loongerelateerde uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), berekend naar een dagloon van € 16,05 bruto (inclusief vakantietoeslag). In de uitspraak van 7 oktober 2014 met procedurenummer 14/1969 heeft de rechtbank Oost-Brabant het beroep van appellante tegen het besluit van 5 mei 2014 ongegrond verklaard. Daartegen heeft appellante hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van heden (met procedurenummer 14/6280 WIA) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.2.

Op 24 februari 2014 heeft appellante een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) aangevraagd. Bij besluit van 14 maart 2014, gehandhaafd bij besluit van 30 juli 2014 (bestreden besluit), heeft het Uwv vastgesteld dat appellante van 15 oktober 2012 tot

15 september 2013 recht heeft op een toeslag als bedoeld in de TW ter hoogte van € 3,71 bruto per dag. Daarbij is overwogen dat de toeslag niet hoger kan zijn dan het verschil tussen haar dagloon (€ 14,86 bruto, exclusief vakantietoeslag) en haar WIA-uitkering (€ 11,15 bruto per dag).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat de beroepsgronden gericht tegen (de hoogte van) het dagloon niet inhoudelijk aan de orde kunnen komen, omdat uitsluitend de hoogte van de toegekende toeslag op grond van de TW ter toetsing voorligt. Bij de beoordeling van het recht op toeslag is de rechtbank uitgegaan van een dagloon van

€ 16,05 bruto (inclusief vakantietoeslag), zoals bevestigd in de uitspraak van die rechtbank van 7 oktober 2014 met procedurenummer 14/1969. Zij heeft geoordeeld dat het Uwv de aan appellante toegekende toeslag conform de wettelijke systematiek van artikel 8, derde lid, in samenhang met artikel 2, derde lid, van de TW en artikel 8a, eerste lid, aanhef en onder c, van de TW, niet onjuist heeft berekend.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante het standpunt ingenomen dat de toeslag te laag is vastgesteld, omdat het dagloon te laag is vastgesteld. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de hoogte van de toeslag is gemaximeerd op het verschil tussen het dagloon en de

WIA-uitkering.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Nu in de uitspraak van heden onder nummer 14/6280 WIA is geoordeeld dat het Uwv een juiste toepassing heeft gegeven aan artikel 6, eerste lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen slaagt de grond van appellante tegen de berekening van de toeslag niet, nu deze er immers vanuit gaat dat een verkeerde toepassing aan genoemd artikel is gegeven. Voor het overige wordt volstaan met te verwijzen naar de overwegingen van de rechtbank.

4.2.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en H.G. Rottier en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2016.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) B. Dogan

MO