Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2331

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-06-2016
Datum publicatie
23-06-2016
Zaaknummer
15-2332 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering pgb omdat op de vader van appellant de natuurlijke personen van toepassing is verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2332 AWBZ

Datum uitspraak: 22 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

2 maart 2015, 14/8983 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

CZ Zorgkantoor B.V. (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellant, wettelijk vertegenwoordigd door zijn moeder [naam moeder] , heeft
mr. S. Salhi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2016. Voor appellant is niemand verschenen. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Hassel.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij appellant, geboren in 2004, is sprake van ADHD en ODD. De ouders van appellant zijn sinds 2009 gescheiden. Appellant woont bij zijn moeder. Bij besluit van 1 juli 2014 heeft Bureau Jeugdzorg Haaglanden met ingang van 11 juli 2014 een indicatie gesteld voor ggz begeleiding individueel, klasse 4, voor een periode van twee maanden. Nadien is deze indicatie voortgezet voor de periode tot en met 11 november 2014.

1.2.

Bij besluit van 11 juli 2014 heeft het Zorgkantoor geweigerd aan appellant een persoonsgebonden budget (pgb) te verlenen.

1.3.

Bij besluit van 17 september 2014 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar tegen het besluit van 11 juli 2014 ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat op de vader van appellant, [naam vader] , de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard. Daarom moest het Zorgkantoor op grond van artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder i, van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) het pgb weigeren. Voor een belangenafweging is volgens het Zorgkantoor geen ruimte.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank, onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 11 juni 2014 (ECLI:NBL:CRVB:2014:2005), het volgende overwogen. Niet in geschil is dat op de vader van appellant de schuldsaneringsregeling van toepassing is. De Raad heeft in de uitspraak van 11 juni 2014 geoordeeld dat de weigeringsgronden in artikel 2.6.4 van de Rsa naar hun strekking zien op situaties waarin de verzekerde een keuze heeft tussen het ontvangen van zorg in natura of een pgb, en de vrees voor fraude gerechtvaardigd is. Daargelaten de vraag of de vrees voor fraude in dit geval gerechtvaardigd is, heeft de moeder van appellant ter zitting toegelicht dat het leveren van zorg in natura aan appellant niet wenselijk is, maar wel tot de mogelijkheden behoort. Het Zorgkantoor heeft daarom terecht geweigerd om aan appellant een pgb te verlenen.

3. Appellant heeft de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden. Kort samengevat voert appellant aan dat zijn vader geen deel van het gezin uitmaakt en er geen financiële inmenging van zijn kant is. Er is ook geen sprake van een financieel risico ten aanzien van het pgb omdat het wordt beheerd door de Sociale Verzekeringsbank. Nu appellant al jaren een pgb ontvangt en er zich geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, kan van fraude niet worden gesproken. Verder heeft appellant al jaren dezelfde begeleider en is zorg in natura geen optie. Hij accepteert geen zorg van anderen dan de huidige zorgverlener.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad kan zich geheel verenigen met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank tot dit oordeel hebben geleid. In wat in hoger beroep is aangevoerd, is geen grond gelegen om tot een ander oordeel te komen. De stelling dat appellant geen zorg van anderen dan de huidige zorgverlener accepteert, is niet met bewijsstukken onderbouwd. Daarom is ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat appellant geen keuze heeft tussen het ontvangen van zorg in natura of een pgb.

4.2.

Gelet op het hiervoor overwogene slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2016.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) L.L. van den IJssel

MO