Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2324

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
27-06-2016
Zaaknummer
14/1364 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Ontvangen kostenvergoeding voor vrijwilligerswerk terecht als middelen aangemerkt. Toepassing Beleidsregels terugvordering. Kostenvergoeding ten onrechte eerst gebruteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1364 WWB, 14/2187 WWB

Datum uitspraak: 7 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

29 januari 2014, 12/3901 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen (college)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 26 februari 2014 een nieuw besluit genomen (nader besluit).

Appellante heeft nadere stukken ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2016. Appellante is verschenen, vergezeld door W.E. Roode. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. N. Ahmadi.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving ten tijde in geding in aanvulling op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Ten aanzien van het recht op bijstand is appellante vrijgesteld van de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB.

1.2.

Bij besluit van 2 april 2012 heeft het college, voor zover thans nog van belang, de bijstand van appellante over 2010 en 2011 op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB - zoals deze bepaling toentertijd gold - herzien en de over die jaren teveel gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd. Gebleken is dat appellante, in strijd met de wettelijke inlichtingenverplichting, geen melding heeft gemaakt van de kostenvergoedingen die zij voor haar werkzaamheden voor de participatieraad minima Amstelveen ( [bedrijf 2] ) en als telefoniste bij [bedrijf 1] heeft ontvangen. Het college heeft op basis van de beschikbare gegevens een schatting gemaakt van het totaal aan ontvangen kostenvergoedingen dat resulteert in een bedrag boven de vrij te laten grens als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de WWB.

1.3.

Bij besluit van 27 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 2 april 2012, voor zover gericht tegen de herziening en terugvordering van bijstand over 2010 en 2011, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Hiertoe heeft de rechtbank, samengevat weergegeven, overwogen dat appellante voldoende heeft aangetoond dat voor de berekening van de kostenvergoedingen die appellante in 2010 en 2011 heeft ontvangen, moet worden uitgegaan van de gegevens die zij hangende de beroepsprocedure heeft overgelegd. Het college kon dan ook niet volstaan met het schattenderwijs vaststellen van het recht op bijstand. Uit de overgelegde gegevens blijkt dat appellante in 2010 bij [bedrijf 1] in totaal € 375,- (netto) aan kostenvergoedingen heeft ontvangen. Voorts heeft zij € 500,- (netto) ontvangen voor haar werkzaamheden bij [bedrijf 2] . Voor zover de overgelegde gegevens zien op 2011 blijkt dat appellante in dat jaar € 761,80 (netto) aan kostenvergoedingen van [bedrijf 1] heeft ontvangen. Voorts heeft [bedrijf 2] appellante ook in dat jaar een bedrag van € 500,- (netto) verstrekt.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.1.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij nader besluit, voor zover van belang, de terugvordering van bijstand over de jaren 2010 en 2011 nader vastgesteld op

€ 894,11 (bruto).

4.2.

De Raad zal het nader besluit op grond van het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling betrekken.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Niet in geschil is dat appellante kostenvergoedingen heeft ontvangen van [bedrijf 2] en [bedrijf 1] . Appellante betwist evenwel dat zij de wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. Zij wijst erop dat het informatieformulier WWB geen ruimte biedt voor het vermelden van de ontvangen kostenvergoedingen. Overigens stelt appellante dat zij nimmer opzettelijk informatie heeft verzwegen. Ter zitting heeft appellante er nog op gewezen dat zij reeds in 2010 een folder van [bedrijf 1] heeft overgelegd, waaruit genoegzaam blijkt dat voor werkzaamheden aldaar een kostenvergoeding wordt verstrekt. Deze beroepsgrond slaagt niet.

5.1.1.

Het college kan met het oog op het nakomen van de inlichtingenverplichting gebruik maken van de door hem ter beschikking gestelde informatieformulieren WWB, de zogeheten rechtmatigheidsonderzoeksformulieren. Er kunnen zich feiten of omstandigheden voordoen waar in deze formulieren niet uitdrukkelijk naar wordt geïnformeerd, maar die wel van belang kunnen zijn voor de verlening van bijstand. Appellante moet deze dan uit eigen beweging melden. Dat geldt hier ook voor de door appellante ontvangen kostenvergoedingen. Het betreft immers gegevens waarvan het appellante redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat deze van invloed (kunnen) zijn op het recht op bijstand. Appellante kon niet volstaan met het enkel overleggen van een folder van [bedrijf 1] waaruit zou blijken dat zij een onkostenvergoeding ontving. Voor zover bij appellante twijfel bestond of deze gegevens voor de verlening van bijstand van belang konden zijn, had zij daarin aanleiding moeten zien om contact op te nemen met het college om op dit punt duidelijkheid te verkrijgen.

5.1.2.

Anders dan appellante meent, is voor de vaststelling dat de inlichtingenverplichting is geschonden niet relevant of sprake is van fraude in strafrechtelijke zin dan wel of appellante bewust informatie voor het college heeft willen achterhouden. Bij brief van 15 oktober 2015 heeft het college onomwonden en zonder voorbehoud bevestigd dat appellante niet als fraudeur wordt beschouwd. De Raad heeft geen reden daarover anders te oordelen. Gewezen wordt op de in artikel 17 van de WWB neergelegde objectief geformuleerde verplichting, waarbij opzet geen rol speelt. Dat betekent dat slechts beoordeeld moet worden of appellante het college had moeten melden dat zij kostenvergoedingen ontving en dit heeft nagelaten. Dat laatste is, zoals in 5.1.1 is overwogen, het geval.

5.2.

Appellante heeft de hoogte van het teruggevorderde bedrag betwist. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de WWB wordt niet tot de middelen gerekend: een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag. Artikel 7, aanhef en onder h, van de Regeling WWB, IOAW en IOAZ (Regeling) bepaalt, dat niet tot de middelen, bedoeld in artikel 31 van de wet worden gerekend: een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste € 95,- per maand met een maximum van € 764,- per jaar, dan wel een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet van ten hoogste € 150,- per maand met een maximum van € 1.500,- per jaar.

5.3.

De door appellante verrichte werkzaamheden, zoals vermeld in 1.2, zijn door het college geduid als vrijwilligerswerk. Deze kwalificatie, voor zover deze ziet op de werkzaamheden bij [bedrijf 1] , wordt door appellante bestreden. Volgens haar - zo begrijpt de Raad - is hier sprake van een werkervaringsplaats, waarvoor op grond van artikel 7, aanhef en onder h, van de Regeling een hoger vrij te laten bedrag voor ontvangen kostenvergoedingen geldt. Hierin wordt appellante evenwel niet gevolgd omdat de voorhanden gegevens daarvoor geen steun bieden. Appellante was ten tijde in geding ontheven van de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB. Reeds die omstandigheid maakt het niet aannemelijk dat appellante activiteiten verrichtte in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Uit de folder van [bedrijf 1] die door appellante is overgelegd kan dit evenmin worden afgeleid.

5.4.

Appellante stelt zich ook om een andere reden op het standpunt dat het college een hoger vrij te laten bedrag dan € 764,- per jaar had moeten toepassen. Zij heeft er namelijk op gewezen dat haar inkomen voor het grootste deel bestaat uit een WAO-uitkering en dat het Uwv in het kader van kostenvergoedingen een vrij te laten bedrag van € 1.500,- hanteert. Volgens appellante is het daarom redelijk om beide vrij te laten bedragen te middelen, wat zou resulteren in een vrij te laten bedrag van € 1.132,- op jaarbasis. Deze beroepsgrond slaagt niet. Voor de door appellante gewenste middeling valt in de van toepassing zijnde regelgeving geen rechtsgrond aan te wijzen.

5.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante in 2010 in totaal € 875,- (netto) aan kostenvergoedingen heeft ontvangen, wat € 111,- (netto) boven de vrijlatingsgrens van € 764,- ligt. Partijen verschillen daarentegen wel van mening over de hoogte van de ontvangen kostenvergoedingen in 2011 welke blijkens het nader besluit € 1.261,80 (netto) bedraagt. Appellante heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat een bedrag van € 79,80 (netto) buiten beschouwing dient te worden gelaten, omdat het hierbij gaat om door haar voorgeschoten kosten van boodschappen en waskosten die buiten het kader van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de WWB vallen. Deze beroepsgrond treft doel. Met de hangende de beroepsprocedure overgelegde gegevens en de daarop gegeven toelichting ter zitting heeft appellante aannemelijk gemaakt dat zij in 2011 daadwerkelijk een bedrag van

€ 79,80 (netto) heeft uitgegeven en nadien vergoed gekregen voor ten behoeve van [bedrijf 1] gedane boodschappen en waskosten. Dit bedrag dient daarom buiten beschouwing te worden gelaten, zodat als kostenvergoeding voor 2011 een bedrag van € 1.182,- moet worden aangehouden. De Raad verwijst naar de uitspraak van 4 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2617. Dit heeft de rechtbank niet onderkend.

5.6.

Op grond van artikel 2 van de Beleidsregels Terugvordering en Verhaal Gemeente Amstelveen (beleidsregels) ziet het college af van terugvordering indien:

a. a) het terug te vorderen bedrag lager is dan € 150,- op jaarbasis, of

b) hiertoe een dringende reden aanwezig is.

5.7.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de beleidsregels worden vorderingen waarop de loonheffing en premies volksverzekeringen betrekking hebben na 31 december van het jaar waarin deze zijn ontstaan, gebruteerd indien de betreffende vordering is ontstaan door:

a. a) het niet, niet tijdig of onvoldoende nakomen van de inlichtingenplicht;

b) tekortschietend besef van verantwoordelijkheid of

c) enig ander verwijtbaar gedrag van betrokkene.

5.8.

Het college heeft de over 2010 teveel ontvangen kostenvergoedingen tot een bedrag van

€ 111,- (netto) gebruteerd. Een redelijke uitleg van artikel 2 van de beleidsregels brengt echter mee dat het college voor de toepassing van deze bepaling niet eerst tot brutering had mogen overgaan, voordat werd getoetst aan het drempelbedrag van € 150,-. De brutering van het terug te vorderen bedrag wordt immers eerst in het opvolgende artikel 3 geregeld. De Raad leidt hieruit af dat is beoogd eerst het netto terug te vorderen bedrag vast te stellen, dat bedrag te toetsen aan het in acht te nemen (drempel)bedrag van € 150,- en dat bedrag - als dit hoger is dan € 150,- - vervolgens te bruteren. Een andersluidende uitleg vindt geen steun in de (toelichting op de) beleidsregels. Nu het (netto) terug te vorderen bedrag lager is dan € 150,- op jaarbasis had het college op grond van zijn beleidsregels niet tot terugvordering mogen besluiten. Dit heeft de rechtbank evenmin onderkend.

5.9.

Uit 5.5 en 5.8 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtbank het college daarbij heeft opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak, moet worden vernietigd. Aansluitend dient te worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Slechts de hoogte van de terugvordering over 2011 is nog aan de orde aangezien de terugvordering over het jaar 2010 komt te vervallen. Op het door het college vastgestelde bedrag van € 1.261,80 aan in 2011 door appellante ontvangen kostenvergoedingen dient een bedrag van € 79,80 in mindering te worden gebracht, zodat met inachtneming van het vrij te laten bedrag van € 764,-, een terug te vorderen bedrag resteert van € 418,- netto. Daarbij geldt dat het college over de maanden waarover appellante de inkomsten destijds niet heeft gemeld gerechtigd is tot terugvordering van het bruto equivalent van dit bedrag.

5.10.

Gelet op 5.9 moet ook het beroep van rechtswege tegen het nadere besluit gegrond worden verklaard en dient dat besluit te worden vernietigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij opdracht is gegeven tot het nemen van

een nieuw besluit op bezwaar met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 26 februari 2014 gegrond en vernietigt dat besluit voorzover het de hoogte van het terug te vorderen bedrag betreft;

- herroept het besluit van 2 april 2012 in zoverre;

- bepaalt dat appellante aan het college dient terug te betalen het bruto equivalent van € 418,-

met inachtneming van wat daarover in 5.9 is overwogen;

- bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 122,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en M. ter Brugge en

D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2016.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) M.S. Spek

IJ