Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2322

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
27-06-2016
Zaaknummer
15/8478 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding. Ontbreken van causaal verband. De beweerdelijk geleden schade is niet gevolg van het gebrek in het besluit.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2016/62
USZ 2016/278
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8478 WWB

Datum uitspraak: 7 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

12 november 2015, 14/7749 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2016. Appellante is verschenen, vergezeld door haar zoon [naam zoon] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.E. Braak.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Voor appellante golden de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB.

1.2.

Bij brief van 21 december 2011 heeft appellante het college verzocht om ontheffing van de geldende arbeidsverplichtingen, omdat zij door diverse omstandigheden niet in staat is deel te nemen aan trajecten en het verrichten van sollicitaties. Zij acht zich wel in staat om een thuisopleiding te volgen. In verband daarmee heeft zij tevens verzocht om vergoeding van de daaraan verbonden kosten.

1.3.

Bij besluit van 6 juli 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 november 2012 (besluit 1), heeft het college de verzoeken om vrijstelling van de arbeidsverplichtingen en bekostiging van een thuisstudie afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante onvoldoende heeft aangetoond dat zij niet in staat is aan de opgelegde arbeidsverplichtingen te voldoen. Tevens is in dit besluit een samenvatting weergegeven van de op 17 oktober 2012 gehouden hoorzitting. Hierin is onder andere een zinsnede opgenomen over de verwekker van de op 1 april 2011 geboren zoon van appellante.

1.4.

Bij besluit van 21 december 2012 (besluit 2) heeft het college naar aanleiding van een klacht van appellante over de onder 1.3 genoemde zinsnede besluit 1 ingetrokken, de gewraakte zinsnede uit het verslag verwijderd en het besluit voor het overige gehandhaafd.

1.5.

Op 30 januari 2013 heeft appellante beroep ingesteld tegen besluit 2 en daarbij tevens verzocht om schadevergoeding, in verband met de in besluit 1 gewraakte zinsnede, toe te kennen.

1.6.

Bij uitspraak van 26 september 2013 (zaaknummer: 13/678), voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen besluit 2 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het college opdracht gegeven een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan

artikel 9a van de WWB. Het college zal bij de te nemen beslissing op bezwaar tevens het verzoek van appellante tot vergoeding van de kosten van de door haar gewenste opleiding dienen te betrekken. Verder dient het college een beslissing te nemen op het door appellante gedane verzoek om schadevergoeding in verband met de in besluit 1 opgenomen gewraakte zinsnede.

1.7.

Bij besluit van 25 november 2014 (bestreden besluit) heeft het college het verzoek van appellante om schadevergoeding afgewezen.

1.8.

Bij besluit van 9 januari 2015 heeft het college het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van ontheffing van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van de WWB ongegrond verklaard op de grond dat zij, doordat zij geen opleiding volgt, niet voldoet aan haar re-integratieverplichting. Tevens heeft het college het verzoek om vergoeding van de opleidingskosten afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Tevens heeft de rechtbank het college veroordeeld tot vergoeding van de door appellante, ten gevolge van de gewraakte zinsnede, geleden immateriële schade tot een bedrag van € 300,-.

3. In hoger beroep is uitsluitend nog aan de orde de hoogte van de door de rechtbank aan appellante toegekende immateriële schadevergoeding. Zij heeft aangevoerd dat deze schadevergoeding niet de door haar geleden immateriële en materiële schade dekt. Daartoe heeft appellante onder meer aangevoerd dat zij als gevolg van de gewraakte zinsnede in besluit 1 kampt met ernstige gezondheidsklachten, die zijn verergerd door de slopende juridische procedures die zij tegen het college heeft moeten voeren. Appellante stelt dat zij recht heeft op vergoeding van schade tot een totaalbedrag van € 3.504.000,-.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In dit geding staat de onrechtmatigheid van besluit 1 en de toerekening (in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek) daarvan aan het college tussen partijen vast. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM8044) is voor een veroordeling tot vergoeding van schade vereist dat deze schade verband houdt met het onrechtmatige besluit en voorts dat alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend. Bij de beoordeling of de schade toegerekend moet worden is ook de aard en strekking van het vernietigde besluit een relevante factor.

4.2.

Ten aanzien van de gevorderde schade is niet aan deze vereisten voor het aannemen van causaal verband voldaan. Niet gebleken is dat de beweerdelijk geleden schade het gevolg is van het gebrek in besluit 1, nu dit gebrek alleen betrekking had op de in dat besluit opgenomen gewraakte zinsnede uit het verslag van de hoorzitting, en het college één maand later bij besluit 2, voor zover van belang, besluit 1 heeft ingetrokken en de gewraakte zinsnede uit het verslag heeft verwijderd.

4.3.

De rechtbank heeft aannemelijk geacht dat de gewraakte zinsnede bij appellante de nodige onrust, spanning en frustratie heeft teweeggebracht. De daaruit voortvloeiende schade is echter in voldoende mate gecompenseerd door de door de rechtbank toegekende schadevergoeding van € 300,-.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2016.

(getekend) A.B.J. van der Ham

De griffier is buiten staat te ondertekenen

IJ