Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2318

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
27-06-2016
Zaaknummer
15/4775 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag bijstand. Onvoldoende grond voor het standpunt dat onduidelijk is gebleven hoe betrokkene is zijn levensonderhoud voorzag voorafgaand aan de aanvraag. Raad voorziet zelf, herroept het besluit in primo en kent per 6 augustus 2013 bijstand toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4775 WWB

Datum uitspraak: 7 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

29 mei 2015, 14/1829 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.H.M. Hest, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hest. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.L.J. Martens. Als getuige is gehoord [naam getuige] , wonende te Eindhoven, zijnde de oudste broer van appellant.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft tot en met 14 december 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ontvangen.

1.2.

Appellant heeft zich op 6 augustus 2013 opnieuw gemeld om bijstand aan te vragen. De aanvraag is op 29 augustus 2013 ingediend. In het kader van deze aanvraag heeft appellant opgegeven een kamer te huren aan de [adres 1] op welk adres hij met ingang van 5 augustus 2013 ingeschreven stond. Tijdens het intakegesprek op 29 augustus 2013 heeft appellant onder meer verklaard dat hij vanaf eind december 2011 heeft verbleven bij [naam] (E) aan de [adres 2] . Appellant heeft in de periode dat hij bij E verbleef geen inkomsten uit werk, uitkering of handel gehad en is door E opgevangen. Appellant kon gebruikmaken van een kamer, de badkamer en keuken en mocht eten uit de kast en koelkast pakken. Appellant heeft verder verklaard dat hij in september 2012 vanwege het overlijden van zijn vader en in april 2013 wegens familieomstandigheden naar Marokko is geweest en dat zijn broer de vliegtickets heeft betaald. De auto die sinds

24 december 2011 op zijn naam staat heeft zijn vader gekocht, maar direct op naam van appellant gezet omdat het rijbewijs van zijn vader om medische redenen niet is verlengd. Appellant heeft al lange tijd de wegenbelasting en verzekering niet betaald.

1.3.

Bij brief van 30 september 2013 heeft het college appellant verzocht deugdelijke bewijsstukken van de betaling van de vliegtickets naar Marokko en een schriftelijke verklaring van E, over de periode waarin appellant bij hem heeft verbleven en hoe en waarom hij appellant heeft geholpen bij de voorziening in zijn levensonderhoud, te overleggen. Appellant heeft op 8 oktober 2013 onder meer gegevens over de aankoop van een vliegticket en een verklaring van E van 7 oktober 2013 overgelegd waaruit volgt dat appellant in de periode van december 2011 tot en met augustus 2013 bij E heeft verbleven.

1.4.

Bij brief van 4 november 2013 heeft het college appellant vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op 13 november 2013 en hem daarbij verzocht nader genoemde gegevens te overleggen. Appellant is zonder bericht niet verschenen op 13 november 2013. Bij brief van 15 november 2013, verzonden naar het adres van E aan de [adres 2] , heeft het college appellant uitgenodigd voor een gesprek op 2 december 2013 en hem nogmaals in de gelegenheid gesteld om nader genoemde gegevens te overleggen. Op 18 november 2013 heeft appellant telefonisch gevraagd naar de stand van zaken van zijn aanvraag. Tijdens dit gesprek is appellant erop gewezen dat een nieuwe afspraak zou plaatsvinden op 2 december 2013. Appellant is vervolgens zonder bericht van verhindering niet verschenen en heeft evenmin de gevraagde stukken overgelegd.

1.5.

Bij besluit van 3 december 2013 heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen en de aan appellant betaalde voorschotten tot een bedrag van € 1.100,- van appellant teruggevorderd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant in strijd met de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn feitelijke woonadres als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.6.

Appellant heeft in bezwaar tegen het besluit van 3 december 2013 onder meer aangevoerd dat hij vanaf 13 november 2013 weer woont op het adres van E en heeft betreffende de periode dat hij op het adres [adres 1] een kamer heeft gehuurd meerdere getuigenverklaringen overgelegd. Naar aanleiding van de hoorzitting heeft het college appellant verzocht voor 5 april 2014 nader genoemde gegevens betreffende onder meer de wijze waarop appellant sinds 1 januari 2013 in zijn levensonderhoud heeft kunnen voorzien, te overleggen. Appellant heeft vervolgens onder meer bankafschriften, verklaringen van zijn moeder, broer en zus - samengevat inhoudende dat appellant bij hen eet en dat zij hem incidenteel hebben ondersteund met kleine geldbedragen - een huurovereenkomst betreffende de huur van een kamer op het adres van E met ingang van 13 november 2013 en een tweetal verklaringen van E overgelegd. Tevens heeft appellant een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 25 februari 2014, inhoudende dat hij met ingang van die datum in staat van faillissement is verklaard, overgelegd.

1.7.

Bij besluit van 23 april 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 3 december 2013 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant in strijd met de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn financiële situatie als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.8.

Bij besluit van 19 juni 2014 heeft het college naar aanleiding van een daartoe ingediende aanvraag aan appellant met ingang van 3 maart 2014 bijstand verleend.

2. De rechtbank heeft E, de moeder, de broer en de zus van appellant ter zitting van

3 maart 2015 als getuigen gehoord. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 6 augustus 2013 (datum melding) tot en met

3 december 2013 (datum besluit op de aanvraag).

4.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Aan de afwijzing van de bijstand ligt, zoals de gemachtigde van het college desgevraagd ter zitting heeft bevestigd, ten grondslag dat onduidelijk is gebleven op welke wijze appellant in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Het college heeft bij de afwijzing van de aanvraag niet alleen de hier te beoordelen periode, maar ook de daaraan voorafgaande periode beoordeeld. Gelet op vaste rechtspraak (uitspraak van 17 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW2936) heeft het college daartoe in dit geval terecht aanleiding gezien omdat appellant sinds medio december 2011 geen inkomsten uit werkzaamheden of uitkering heeft gehad en zich pas in augustus 2013 heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

4.4.1.

Anders dan het college heeft geconcludeerd, is er onvoldoende grond voor het oordeel dat onduidelijk is gebleven hoe appellant in de periode voorafgaand aan de aanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Appellant heeft weliswaar verklaard dat hij geen inkomsten uit werk, uitkering of handel heeft ontvangen, maar hij heeft tevens verklaard dat hij in de periode dat hij bij E verbleef geen vaste lasten betaalde. De verklaring van appellant komt overeen met de schriftelijke verklaring van E van 7 oktober 2013, de in bezwaar overgelegde ongedateerde verklaring van E en de getuigenverklaring van E tijdens de zitting van de rechtbank. Anders dan het college stelt zijn deze verklaringen niet tegenstrijdig. E heeft verklaard dat hij appellant ergens in 2011 in huis heeft genomen en op de vraag waarom hij iemand anderhalf jaar gratis onderhoudt geantwoord dat appellant hand- en spandiensten voor hem verrichte op de voetbalvereniging. Dat appellant heeft verklaard eerst vanaf oktober 2012 vrijwilligerswerkzaamheden voor deze voetbalvereniging te hebben verricht, maakt niet dat daarom aan de verklaring van E geen waarde kan toekomen. E heeft immers consistent verklaard dat appellant vanaf eind 2011 bij hem heeft verbleven en ook dat hij appellant al zo’n twaalf jaar kende van een vorige voetbalclub.

4.4.2.

Daarnaast heeft appellant verklaard dat hij bij zijn moeder, broer en zus langsging om te eten en te drinken en van hen af en toe kleine geldbedragen ontving. Appellant heeft deze verklaring met schriftelijke verklaringen van zijn moeder, broer en zus onderbouwd. De moeder en de zus van appellant zijn eveneens bij de rechtbank als getuige gehoord. De moeder van appellant heeft verklaard dat appellant bijna altijd bij haar kwam eten en dat zij hem soms twee keer per week geld gaf, soms wat minder en dat dit gemiddeld op een bedrag van vijftig euro uitkwam. De zus van appellant heeft verklaard dat als appellant langskwam hij kon mee-eten en dat zij hem af en toe wat geld gaf, een tientje of twintig euro. De broer van appellant heeft ter zitting van 26 april 2016 verklaard dat hij degene is geweest die de betaling van de vliegtickets van appellant in september 2012 en april 2013 naar Marokko heeft geregeld, dat appellant deze bedragen nog aan hem moet terugbetalen en hiervan al een deel heeft terugbetaald.

4.4.3.

Verder blijkt uit de door appellant in hoger beroep overgelegde stukken dat de schulden in de periode voorafgaand aan de aanvraag verder opliepen en dat onder andere de autoverzekering na het overlijden van zijn vader in september 2012 niet meer is betaald.

4.4.4.

Uit de door appellant overgelegde uitdraai van zijn bankrekening over de periode van 18 juli 2012 tot juni 2013 en de bankafschriften over de periode van 25 februari 2013 tot en met 28 februari 2014 blijkt dat bijschrijvingen van zorgtoeslag, laatstelijk in 2012, en de in de te beoordelen periode ontvangen voorschotten zijn ontvangen en blijkt verder dat opdrachten tot betaling door de bank werden gestorneerd wegens onvoldoende saldo. In de gedingstukken zijn, zoals de gemachtigde van het college ter zitting heeft erkend, geen concrete aanwijzingen te vinden die erop wijzen dat appellant over substantiële inkomsten beschikte die hij voor het college heeft verzwegen. Het vorengaande leidt tot de conclusie dat in zoverre geen sprake is van schending van de inlichtingenverplichting door appellant en dat het college niet gevolgd kan worden in zijn standpunt dat de financiële situatie van appellant in de periode voorafgaand aan de melding van 6 augustus 2013 onduidelijk was, in die zin dat daaraan consequenties zouden moeten worden verbonden voor het recht op bijstand in de direct op die periode volgende periode.

4.5.

In de hier te beoordelen periode heeft appellant in de periode van 6 augustus 2013 tot

13 november 2013 een kamer gehuurd voor een bedrag van € 200,-. Met ingang van

13 november 2013 heeft hij een kamer gehuurd bij E. Hij heeft in de te beoordelen periode tweemaal een voorschot van het college ontvangen tot een totaalbedrag van € 1.100,-. De met ingang van 13 november 2013 overeengekomen huursom voor een kamer bij E heeft hij in de te beoordelen periode niet betaald. Daarnaast heeft hij de in 4.4.2 genoemde verklaringen van zijn moeder, broer en zus overgelegd, waarin zij hebben verklaard appellant in de periode dat hij geen bijstand ontving financieel te hebben bijgestaan. Anders dan het college in het bestreden besluit heeft geconcludeerd maakt het feit dat de familieleden van appellant hem met geringe geldbedragen hebben bijgestaan niet dat appellant daarom niet inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Appellant heeft immers ook in de te beoordelen periode nagenoeg geen vaste lasten betaald. Ook wat betreft de te beoordelen periode zijn er geen aanwijzingen dat appellant een inkomstenbron voor het college heeft verzwegen.

4.6.

Gelet op de door appellant overgelegde stukken en de door hem gegeven inlichtingen is er geen grond voor het oordeel dat appellant in het kader van zijn aanvraag zijn wettelijke inlichtingen- en/of medewerkingsverplichting niet of niet geheel is nagekomen. Op basis van die gegevens en inlichtingen kon het recht op bijstand over de te beoordelen periode, anders dan het college en de rechtbank hebben aangenomen, wel worden vastgesteld.

4.7.

Uit het voorgaande volgt dat het college de aanvraag om bijstand ten onrechte heeft afgewezen op de grond dat het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet kon worden vastgesteld. De rechtbank heeft dat niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen.

4.8.

Vervolgens moet worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst moet worden gegeven. Uitgaande van de overwegingen en conclusies van 4.4 tot en met 4.7 en gelet op de hiervoor genoemde gegevens, te weten de bankgegevens, de verklaringen van E en van de familieleden van appellant, de schulden van appellant en de faillietverklaring van 25 februari 2014, is de Raad van oordeel dat appellant aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de hier te beoordelen periode verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden. Daarom zal de Raad zelf voorzien in de zaak door, met herroeping van het besluit van 3 december 2013, te bepalen dat aan appellant met ingang van de datum van melding van 6 augustus 2013 bijstand wordt toegekend naar de voor hem geldende norm.

4.9.

Het oordeel van de Raad in deze zaak heeft weliswaar uitsluitend betrekking op de periode die afloopt op 3 december 2013, maar de uitspraak heeft mede tot gevolg dat de bijstand van appellant ook na die datum in beginsel doorloopt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding omdat aan appellant zelf te wijten is dat hij procedures bij de rechtbank en de Raad heeft moeten voeren om de afwijzing van de aanvraag ongedaan te maken. Het college heeft appellant herhaaldelijk verzocht bewijsstukken van zijn bijstandbehoevendheid te overleggen. Daaraan heeft appellant pas eerst gedeeltelijk in bezwaar, gedeeltelijk in beroep en vervolgens in hoger beroep voldaan. Indien appellant deze informatie, die hem reeds ten tijde van het nemen van het primaire besluit bekend was, direct aan het college zou hebben verstrekt, zou dit niet hebben geleid tot afwijzing van de aanvraag van 29 augustus 2013. Van de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep heeft gemaakt, kan dan ook niet worden gezegd dat hij deze redelijkerwijs heeft moeten maken. Hieruit volgt dat het verzoek om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant dient te worden afgewezen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 23 april 2014 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    herroept het besluit van 3 december 2013 en bepaalt dat het college aan appellant met ingang van 6 augustus 2013 bijstand toekent naar de op hem van toepassing zijnde norm;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 23 april 2014.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2016.

(getekend) G.M.G. Hink

De griffier is buiten staat te ondertekenen

sg