Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2314

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
27-06-2016
Zaaknummer
14/3971 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering IAO-aanvulling. Onroerend goed in Suriname. Taxatierapporten: de drie overgelegde rapporten scheppen onduidelijkheid over waarde onroerend goed. Onvoldoende gegevens over de ontwikkeling van de waarde van het onroerend goed. Recht niet vast te stellen. Bijkomende beslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 3971 WWB, 16/2854 WWB

Datum uitspraak: 7 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

4 juni 2014, 13/5741 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] en [appellante] te [woonplaats] (appellanten)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J. Cortet, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2016. Namens appellanten zijn verschenen mr. Cortet en [naam zoon] , zoon van appellanten. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvangen vanaf 1 mei 2006 een ouderdomspensioen en een toeslag ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). In aanvulling daarop ontvingen appellanten bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), sinds 1 januari 2009 van de Svb in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling).

1.2.

Op 4 april 2013 hebben appellanten bij de Svb melding gemaakt van het feit dat zij een stuk grond in Suriname bezitten. Appellanten hebben verklaard dat de grond op 30 juni 1993 aan hen is geschonken en zij hebben een taxatierapport overgelegd waarin de waarde van de grond op 22 maart 2013 is bepaald op Surinaamse dollar (Srd) 87.541,40, omgerekend

€ 20.363,20.

1.3.

Bij besluit van 5 juni 2013 heeft de Svb de AIO-aanvulling van appellanten vanaf

1 januari 2009 ingetrokken en de over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 mei 2013 ten onrechte betaalde AIO-aanvulling tot een bedrag van € 20.253,58 van appellanten teruggevorderd.

1.4.

In de bezwaarprocedure hebben appellanten te kennen gegeven dat op 5 juni 2002 het perceel, dat toen nog 1.582,96 m² bedroeg, is getaxeerd op een bedrag van Srd 6,75 per m². Op 10 juli 2012 is 564,80 m² hiervan overgedragen aan hun zoon. Het resterende gedeelte ter grootte van 1.018,16 m² is op 22 maart 2013 voor het opmaken van een testament opnieuw getaxeerd, daarbij is de waarde volgens hen op een te hoog bedrag vastgesteld.

1.5.

Bij besluit van 10 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 5 juni 2013 ongegrond verklaard. De Svb heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden doordat zij bij de aanvang van de bijstandverlening geen melding hebben gemaakt van het bezit van een perceel grond. Appellanten zijn er volgens de Svb niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat - ondanks de schending van de inlichtingenverplichting - recht bestond op aanvullende bijstand.

1.6.

Bij de rechtbank hebben appellanten een taxatierapport overgelegd van 9 november 2013, waarin de waarde van het betreffende perceel van 1.018,16 m² is vastgesteld op Srd 43.744,-, omgerekend € 9.673,-.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellanten stellen zich op het standpunt dat zij voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij gedurende een gedeelte van de periode recht hadden op een AIO-aanvulling. De waarde van het stuk grond in het taxatierapport van 22 maart 2013 is niet juist. Appellanten hebben in hoger beroep een taxatierapport van 12 december 2013 overgelegd, waarin de waarde van het betreffende perceel is vastgesteld op Srd 40.000,-, omgerekend € 9.015,30.

3.2.

Bij besluit van 20 januari 2016 heeft het college, op verzoek van appellanten, de hoogte van de maandelijkse aflossing op hun schuld aan de Svb met ingang van 1 januari 2016, in afwachting van de uitspraak van de Raad, vastgesteld op een bedrag van € 117,29 per maand. Appellanten hebben daartegen bezwaar gemaakt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 januari 2009 tot 5 juni 2013.

4.2.

Niet in geschil is dat appellanten eigenaar zijn van een stuk grond in Suriname en dat eigendom van onroerende zaken een gegeven is dat van invloed kan zijn op het recht op bijstand. Appellanten betwisten niet dat zij de inlichtingenverplichting hebben geschonden doordat zij bij de aanvang van de bijstandverlening geen melding hebben gemaakt van de eigendom van de onroerende zaken. In geschil is of ondanks de schending van de inlichtingenverplichting het recht op AIO-aanvulling kan worden vastgesteld en, zo ja, of appellanten, gelet op de waarde van het perceel, recht hadden op AIO-aanvulling.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 11 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY5783) is het aan de betrokkenen en niet aan de Svb om bij verzwegen eigendom van onroerende zaken gegevens over te leggen op grond waarvan de waardeontwikkeling van de onroerende zaken in de periode in geding kan worden bepaald en het recht op bijstand op grond daarvan - ondanks schending van de inlichtingenverplichting - kan worden vastgesteld.

4.4.

Volgens de Svb zijn appellanten er niet in geslaagd te onderbouwen wat de waarde van hun vermogen op 1 januari 2009 was en wat de waardeontwikkeling in de periode na 1 januari 2009 is geweest.

4.5.

Appellanten hebben in de loop van de procedure drie verschillende taxatierapporten overgelegd, opgemaakt op 22 maart 2013, 9 november 2013 en 12 december 2013, waarin verschillende taxatiewaarden van het perceel zijn vermeld. Appellanten hebben onvoldoende onderbouwd dat bij de beoordeling van het vermogen van de waarde vermeld in de taxatie van 9 november 2013 moet worden uitgegaan. De stelling dat het taxatierapport van

9 november 2013 de juiste waarde vertegenwoordigt omdat dit wordt onderbouwd door de overgelegde taxatie van 12 december 2013, alsmede taxaties van enkele omliggende percelen, houdt geen stand. Appellanten hebben immers geen verklaring kunnen geven waarom de waarde in de taxatie van 9 november 2013 op een bedrag van € 9.673,- is vastgesteld terwijl deze taxatie voor het overige niet afwijkt van de taxatie van 22 maart 2013. Van belang is verder dat de taxatie van 12 december 2013 is opgemaakt ten behoeve van de notariële overdracht van de grond op 7 februari 2014 voor een bedrag van Srd 40.000,- aan de [Stichting] , welke op naam staat van de kinderen van appellanten en als doel heeft de grond in de familie te houden, waardoor niet duidelijk is of de waarde die daarin staat objectief is vastgesteld en een reële marktwaarde vertegenwoordigt. Door het overleggen van drie verschillende taxatierapporten hebben appellanten onduidelijkheid geschapen over welke waarde het perceel vertegenwoordigde vanaf 22 maart 2013. Hierdoor is het recht op bijstand vanaf die datum niet vast te stellen.

4.6.

De Svb heeft zich tevens op goede gronden op het standpunt gesteld dat het recht op AIO-aanvulling van 1 januari 2009 tot 22 maart 2013 niet is vast te stellen. Appellanten hebben onvoldoende gegevens overgelegd aan de hand waarvan de Svb de waarde van de grond op 1 januari 2009 en de ontwikkeling van die waarde nadien had kunnen bepalen en vervolgens het recht op AIO-aanvulling had kunnen vaststellen. De taxatie van het perceel in 2002, in verband met het overlijden van de moeder van appellante, op een bedrag van omgerekend € 5.552,83 is daartoe, gelet op de datum van die taxatie, onvoldoende. Dit betekent dat de Svb terecht heeft geconcludeerd dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting door appellanten het recht op de AIO-aanvulling vanaf 1 januari 2009 niet is vast te stellen. De Svb was, gelet op het voorgaande, bevoegd om de AIO-aanvulling met ingang van 1 januari 2009 in te trekken en de ten onrechte betaalde AIO-aanvulling van appellanten terug te vorderen.

4.7.

Uit 4.5 en 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Bijkomende beschikking

5.1.

Ingevolge artikel 4:125, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking waarbij de verplichting tot betaling van een geldsom is vastgesteld, mede betrekking op een bijkomende beschikking van hetzelfde bestuursorgaan omtrent verrekening, uitstel van betaling, verlening van een voorschot, vaststelling van de rente of gehele of gedeeltelijke kwijtschelding, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

5.2.

Het onder 3.2 vermelde besluit van 20 januari 2016 heeft betrekking op verrekening en is gelet op de tekst van artikel 4:125, eerste lid, van de Awb een bijkomende beschikking als bedoeld in dat artikellid.

5.3.

Bij het besluit van 20 januari 2016 heeft de Svb de hoogte van de maandelijkse aflossingsverplichting met ingang van 1 januari 2016 vastgesteld op een bedrag van € 117,29 per maand. De Svb is hiertoe naar aanleiding van een verzoek van appellanten van 10 oktober 2015 overgegaan. Zoals de vertegenwoordiger van de SVB ter zitting heeft bevestigd komt dit besluit in de plaats van eerdere besluiten waarin de aflossingsverplichting is vastgesteld. Nu appellanten niet hebben betwist dat de vaststelling van het, door hen zelf voorgestelde, aflossingsbedrag op een bedrag van € 117,29 per maand voor hen tot onaanvaardbare gevolgen heeft geleid en de Svb ter zitting heeft toegezegd dat naar aanleiding van de onderhavige uitspraak het aflossingsbedrag opnieuw zal worden vastgesteld, volgt hieruit dat het beroep tegen het besluit van 20 januari 2016 ongegrond moet worden verklaard.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 20 januari 2016 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2016.

(getekend) A.B.J. van der Ham

De griffier is buiten staat te ondertekenen

sg