Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2313

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-06-2016
Datum publicatie
27-06-2016
Zaaknummer
14/6048 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging bijstand wegen gezamenlijke huishouding. Gewijzigde inzichten t.a.v. voortzetten bijstand. Gewenningsperiode van 3 weken is voldoende.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2016/288
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6048 WWB

Datum uitspraak: 21 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (rechtbank) van 24 september 2014, 14/5678 en 14/5679 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.A.L. de Boer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Mr. T. de Heer, advocaat, heeft zich nadien als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2016. Namens appellant is verschenen mr. De Heer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Ahmed.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant woont sinds 28 oktober 2008 op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Op dit adres, een tweekamerwoning, woont sinds 25 september 2008 ook [P] (P). Op 8 september 2010 heeft appellant bijstand aangevraagd op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de afdeling Handhaving van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. De conclusie van de DWI was dat appellant een gezamenlijke huishouding voerde met P en dus niet als een zelfstandig subject van bijstand kon worden beschouwd. Op die grond heeft het college bij besluit van 24 september 2010 de aanvraag om bijstand afgewezen. Bij besluit van 4 januari 2011 heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit 24 september 2010 gegrond verklaard en aan appellant met ingang van

8 september 2010 bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat uit wat appellant had verklaard blijkt dat wel sprake is van enige mate van wederzijdse zorg, maar dat dit onvoldoende is voor de conclusie dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met P als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding van 6 februari 2014 dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met zijn vriendin P heeft een sociaal rechercheur van de DWI een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de sociaal rechercheur onder meer dossieronderzoek verricht, op 7 mei 2014 met een andere sociaal rechercheur een huisbezoek afgelegd aan het uitkeringsadres en op 13 mei 2014 een gesprek gevoerd met appellant. De sociaal rechercheur heeft appellant aan het eind van dat gesprek meegedeeld dat hij er rekening mee moet houden dat zijn bijstand kan worden beëindigd, omdat sprake lijkt te zijn van een gezamenlijke huishouding met de fulltime werkende P. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 3 juni 2014. In dit rapport worden de volgende conclusies getrokken. Appellant voert een gezamenlijke huishouding met P en mocht nooit worden gezien als een zelfstandig subject van bijstand. Terugvordering van ten onrechte ontvangen bijstand is in strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, omdat appellant altijd openheid van zaken heeft gegeven over zijn woonsituatie. Van schending van de inlichtingenverplichting is geen sprake, aangezien het college vanaf 2010 op de hoogte was van de feitelijke woonsituatie van appellant.

1.3.

Het college heeft in de resultaten van het onderzoek aanleiding gezien om bij besluit van 6 juni 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 augustus 2014 (bestreden besluit), de bijstand van appellant met ingang van 1 juli 2014 te beëindigen. Aan het bestreden besluit heeft het college het volgende ten grondslag gelegd. Appellant voert een gezamenlijke huishouding met P. Het feit dat het college de situatie van appellant en P niet eerder heeft aangemerkt als een gezamenlijke huishouding betekent niet dat het college op basis van gewijzigde inzichten thans niet kan oordelen dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. Met de gewenningsperiode van drie weken die appellant is gegund, heeft hij de gelegenheid gehad om maatregelen te treffen om zijn woon- en leefsituatie in overeenstemming te brengen met de eisen die de wet daaraan stelt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. Aangezien in dit geval is voldaan aan zowel het criterium van gezamenlijk hoofdverblijf als het criterium van wederzijdse zorg, moet de conclusie zijn dat sprake is van een gezamenlijke huishouding tussen appellant en P. Het subsidiaire standpunt van appellant dat het college hem uit oogpunt van zorgvuldigheid, overeenkomstig de uitspraak van de Raad van 20 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1749 (uitspraak van 20 mei 2014), een overbruggingsperiode had moeten toekennen van drie maanden, wordt niet gevolgd, omdat de situatie die aan de orde was in die uitspraak niet overeenkomt met die van appellant. Ten eerste is appellant niet rauwelijks geconfronteerd met de intrekking van zijn bijstand, aangezien hem tijdens het gesprek op 13 mei 2014 al was aangezegd dat zijn uitkering zou worden ingetrokken. Ook de duur van de periode waarover bijstand is verleend, is in het geval van appellant veel korter dan de extreem lange periode van 22 jaar die de betrokkene in het geval van genoemde uitspraak bijstand had ontvangen. Verder was de betrokkene in dat geval zeer langdurig en frequent bevestigd in haar veronderstelling dat de leefvorm met haar zuster in het kader van de WWB niet was aan te merken als een gezamenlijke huishouding. Het college heeft in het licht van genoemde uitspraak aan appellant dan ook een voldoende redelijke termijn gegund om zich in te stellen op de gevolgen van de nieuwe en gewijzigde inzichten ten aanzien van de voortzetting van de bijstand en om ter zake maatregelen te treffen.

3. Appellant heeft in hoger beroep, evenals in beroep, primair aangevoerd dat niet is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg, zodat geen sprake is van een gezamenlijke huishouding tussen hem en P (primaire beroepsgrond), en subsidiair, onder verwijzing naar de uitspraak van 20 mei 2014, dat het college een te korte overbruggingsperiode heeft vastgesteld (subsidiaire beroepsgrond). Dit laatste heeft appellant als volgt toegelicht. Niet kan worden uitgesloten dat het voor de betrokkene in het geval van de uitspraak van 20 mei 2014 gemakkelijker was om haar woon- en leefsituatie aan te passen, omdat het voor haar, na 22 jaar woonachtig te zijn geweest in een dorp op de Utrechtse Heuvelrug, met het door haar opgebouwde netwerk gemakkelijker was een betaalbare eigen woning te vinden dan voor appellant, die in [woonplaats] woonachtig is en niet lang genoeg woont in de desbetreffende wijk om een gedegen sociaal netwerk op te bouwen. Verder is appellant pas op 6 juni 2014 formeel op de hoogte gesteld van de beëindiging en wist hij dus pas vanaf dat moment wat hem te wachten stond. Weliswaar was de betrokkene in het geval van de uitspraak van 20 mei 2014 op veel momenten in een periode van 22 jaar geconfronteerd met haar voor de sociale dienst problematische leefvorm, maar hoewel de conclusie telkenmale is geweest dat geen sprake was van een gezamenlijke huishouding valt te bepleiten dat, nu meerdere onderzoeken hebben plaatsgevonden naar haar leefvorm, deze betrokkene zich beter had kunnen instellen op de beëindiging van haar bijstand dan appellant, die slechts eenmaal eerder was geconfronteerd met zijn voor de sociale dienst problematische leefvorm.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant de primaire beroepsgrond laten vallen. Aldus is niet meer in geschil dat op de hier te beoordelen datum 1 juli 2014 sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen appellant en P en dat appellant op die datum dus niet als zelfstandig subject recht op bijstand had.

4.2.

De subsidiaire beroepsgrond die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, had hij ook al in beroep aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die grond ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken grond in de aangevallen uitspraak onjuist dat wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Hij voegt daaraan nog het volgende toe. Zoals de rechtbank al tot uitdrukking heeft gebracht, waren de omstandigheden van het geval van de betrokkene in het geval van de uitspraak van 20 mei 2014 in geen enkel opzicht te vergelijken met de omstandigheden van het geval van appellant. De enkele stelling van appellant dat het voor de betrokkene in het geval van de uitspraak van 20 mei 2014 waarschijnlijk gemakkelijker was een woning te vinden dan voor appellant - wat daar ook van zij -, rechtvaardigt geen verlening van bijstand in strijd met de WWB gedurende een langere overbruggingsperiode dan de door het college aan appellant gegunde periode.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en A.M. Overbeeke en

M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2016.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) A. Stuut

RH