Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2302

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-06-2016
Datum publicatie
23-06-2016
Zaaknummer
15-4668 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning LFNP-functie. De transponeringstabel kan niet worden aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift, maar aan deze tabel, mede op grond van de waarborgen waarmee de totstandkoming ervan is omgeven, moet een zwaarwegende betekenis worden gehecht. De transponeringstabel vormt in beginsel een toereikende grondslag. Matching. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de keuze voor het vakgebied Intake & Service, dat onder meer omvat de intake van burgerverzoeken, onhoudbaar moet worden geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4668 AW

Datum uitspraak: 9 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

21 mei 2015, 14/4057 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.J. Dammingh, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dammingh. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. N.E. Bensoussan en F.J.H. Gunther.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor het kader en de regelgeving van dit hoger beroep verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663).

1.2.

Bij besluit van 21 oktober 2011 heeft de korpschef de uitgangspositie van appellant voor zijn toekomstige functie in het kader van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) bepaald op Centralist, salarisschaal 5. In aanvulling hierop heeft de korpschef appellant bij besluit van 29 juni 2012 meegedeeld dat uit inventarisatie is gebleken dat op de peildatum 31 december 2011 niet van persoonlijke taakaccenten is gebleken. Tegen deze besluiten heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend, zodat deze in rechte vaststaan.

1.3.

Bij besluit van 16 december 2013 is bepaald dat appellant met ingang van 1 januari 2012 is overgegaan naar de LFNP-functie Assistent Intake & Service B in het vakgebied Intake & Service, met bijbehorende salarisschaal 5. Het bezwaar daartegen is bij besluit van

27 mei 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat en voor zover hier van belang, overwogen dat het bestreden besluit aan een bevoegdheidsgebrek lijdt. Dit gebrek heeft de rechtbank gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verder heeft de rechtbank overwogen dat de transponeringstabel, opgenomen in een bijlage bij de Regeling overgang naar een LFNP functie, Stcrt. 2013, nr. 13141 (Regeling), een algemeen verbindend voorschrift is. Nu geen sprake is van ernstige feilen die kleven aan de inhoud of de totstandkoming van de transponeringstabel, kan deze als grondslag dienen voor het daarop gebaseerde bestreden besluit. Volgens de rechtbank is niet gebleken dat in dit geval de transponeringstabel onjuist is toegepast. Tot slot heeft de rechtbank in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding gezien voor toepassing van de hardheidsclausule.
3. Appellant heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad heeft in zijn onder 1.1 genoemde uitspraken van 1 juni 2015 geoordeeld dat de transponeringstabel, anders dan de rechtbank tot uitgangspunt heeft genomen, niet kan worden aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift. Dit neemt niet weg dat aan deze tabel, mede op grond van de waarborgen waarmee de totstandkoming ervan is omgeven, een zwaarwegende betekenis moet worden gehecht. De korpschef mag bij het nemen van besluiten over de toekenning van en overgang naar een LFNP-functie ervan uitgaan dat toepassing van de voor het matchingsproces geldende regels tot de in de tabel vermelde uitkomst leidt. Hij mag in beginsel volstaan met een verwijzing naar de transponeringstabel. Het is aan de betrokken politieambtenaar om aannemelijk te maken dat de matching niet overeenkomstig de Regeling is geschied of dat het resultaat van de matching anderszins onhoudbaar is te achten. Het enkele feit dat een andere uitkomst ook verdedigbaar zou zijn geweest is niet voldoende. Verder kan de politieambtenaar zich niet beroepen op feiten of omstandigheden die hij reeds in het kader van de vaststelling van zijn uitgangspositie naar voren had kunnen brengen.

4.2.1.

De Raad heeft in, onder meer, zijn uitspraak van 31 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1175, het volgende overwogen:

“Voor zover appellanten zich op het standpunt stellen dat met het oordeel dat aan de transponeringstabel, ondanks dat deze het karakter van een algemeen verbindend voorschrift ontbeert, niettemin een zwaarwegende betekenis moet worden gehecht in de onder 3.1 bedoelde zin, in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb de grondslag van de bestreden besluiten wordt uitgebreid, deelt de Raad dit standpunt niet. De bestreden besluiten zijn gebaseerd op de transponeringstabel. Zoals al is geconcludeerd in de uitspraken van 1 juni 2015, is die grondslag in beginsel toereikend. Die conclusie houdt geen aanvulling of wijziging van de aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegde motivering in (zie ook de uitspraak van 3 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:752). Het beroep van appellanten op de uitspraken van de Raad van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH3898, 5 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO3335, en 13 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8612, treft geen doel, omdat die uitspraken niet zien op vergelijkbare gevallen. Het voorgaande brengt tevens mee dat er evenmin aanleiding is voor een nieuwe behandeling in bezwaar, zoals door appellanten is bepleit.”

4.2.2.

De Raad ziet in wat appellant in deze zaak op dit punt aanvoert geen reden om hierover thans anders te oordelen. Het ter zitting door appellant gedane beroep op artikel 8:69, tweede lid, van de Awb treft geen doel. Weliswaar stelt appellant terecht dat de in dat artikellid bedoelde aanvulling van rechtsgronden ziet op de door de indiener van het (hoger) beroep aangedragen gronden en niet op de grondslag van het in geding zijnde besluit, maar dat staat los van, en beïnvloedt dus in het geheel niet, de hierboven weergegeven vaststelling dat het rechterlijk oordeel dat de transponeringstabel in beginsel een toereikende grondslag vormt voor besluiten als hier aan de orde, geen aanvulling of wijziging van de aan deze besluiten ten grondslag gelegde motivering inhoudt. Wat appellant heeft aangevoerd over artikel 8:3 van de Awb kan in dit verband evenmin doel treffen. In dit geding lag en ligt voor een besluit tot toekenning van en overgang naar een LFNP-functie. Een dergelijk besluit was en is vatbaar voor bezwaar en beroep. Dat de korpschef aanvankelijk, gezien zijn achteraf onjuist gebleken veronderstelling dat de transponeringstabel als een algemeen verbindend voorschrift was te beschouwen, heeft gewezen op de onmogelijkheid tegen een zodanig voorschrift als zodanig bezwaar en beroep in te stellen, maakt dat niet anders en was en is in dit geding dan ook niet van belang.

4.3.1.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de toekenning van de LFNP-functie niet overeenkomstig de Regeling heeft plaatsgevonden dan wel dat de uitkomst van de matching anderszins onhoudbaar moet worden geacht. Hij heeft erop gewezen dat uit de beschrijving van de korpsfunctie Centralist blijkt dat hij met name is belast met werkzaamheden op het gebied van intake in het kader van spoedeisende hulp. Daarnaast is hij sinds 2008 Ploeginstructeur. Volgens appellant is ten onrechte gekozen voor het vakgebied Intake & Service, omdat zijn werkzaamheden als Centralist passen bij het vakgebied Meldkamer, dat is gericht op de uitvoering van meldkameractiviteiten, en niet bij vakgebied Intake & Service. Dit brengt volgens appellant mee dat hij met toepassing van artikel 3, vijfde lid, van de Regeling had moet worden gematcht met de LFNP-functie Generalist Meldkamer, met bijbehorende salarisschaal 7.

4.3.2.

De stelling dat een andere uitkomst van de matching ook verdedigbaar zou zijn geweest is, zoals al onder 4.1 is overwogen, niet voldoende voor de conclusie dat de matching niet overeenkomstig de Regeling is geschied of anderszins onhoudbaar is te achten. De korpschef heeft er in dit verband op gewezen dat het vakgebied Meldkamer onder meer is gericht op het verlenen van regie en ondersteuning van de inzet van politie en/of hulpdiensten. Bij de door appellant genoemde LFNP-functie Generalist Meldkamer is onder meer sprake van het participeren in bestaande netwerken ten behoeve van een gezamenlijke aanpak van meldkameractiviteiten en van het maken van afstemmingsafspraken. Volgens de korpschef komen de genoemde werkzaamheden niet voor bij de korpsfunctie Centralist, waarvan het doel is het zo snel mogelijk en effectief doorgeleiden van gesprekken naar de daartoe uitgeruste diensten. Mede gezien deze toelichting van de korpschef moet worden geconcludeerd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de keuze voor het vakgebied Intake & Service, dat onder meer omvat de intake van burgerverzoeken, onhoudbaar moet worden geacht. Voor zover appellant een beroep doet op zijn werkzaamheden als ploeginstructeur wordt erop gewezen dat de politieambtenaar zich niet kan beroepen op feiten of omstandigheden die hij al in het kader van de vaststelling van de uitgangspositie naar voren had kunnen brengen.

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

6. Appellant heeft tot slot verzocht om veroordeling van de korpschef in de proceskosten. Daarvoor heeft hij naar voren gebracht dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd, omdat daarin de transponeringstabel als een algemeen verbindend voorschrift is aangemerkt. Nu hij tegen deze dragende overweging in de besluitvorming terecht is opgekomen en heeft moeten procederen om tot een deugdelijke motivering te komen, maakt hij aanspraak op vergoeding van proceskosten, aldus appellant. Dit betoog slaagt niet. Daarbij wordt verwezen naar de uitspraak van 24 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4803.

6.1.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat dan ook geen aanleiding. In het verlengde hiervan bestaat evenmin aanleiding om, zoals is verzocht, te bepalen dat de korpschef het betaalde griffierecht vergoedt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2016.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) S.W. Munneke

MK