Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2300

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-06-2016
Datum publicatie
23-06-2016
Zaaknummer
15-3798 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning LFNP-functie. Transponeringstabel. Matching. Toepassing hardheidsclausule terecht geweigerd. De in het bestreden besluit gegeven motivering is niet ontoereikend. Daarin staat immers vermeld dat de door betrokkene aangevoerde omstandigheden (waaronder zijn rechtspositionele situatie in relatie tot de door hem verrichte feitelijke werkzaamheden) betrekking hebben op de in de regelgeving gemaakte keuzes en niet als bijzondere omstandigheden kunnen worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3798 AW, 15/5700 AW

Datum uitspraak: 9 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 april 2015, 14/4324 AW (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de korpschef van politie (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

De korpschef heeft hoger beroep ingesteld.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de korpschef op 21 juli 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Namens betrokkene heeft mr. M. Scheggetman een verweerschrift ingediend en een reactie gegeven op de nieuwe beslissing op bezwaar.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor het kader en de regelgeving van dit hoger beroep verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663).

1.2.

Bij besluit van 10 juni 2011 is de uitgangspositie van betrokkene voor de omzetting naar het LFNP vastgesteld op de functie van [naam functie] , salarisschaal 9. Als bijzondere situatie is vermeld dat betrokkene gedetacheerd is. Betrokkene heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3.

Na het voornemen daartoe bekend te hebben gemaakt, waarop betrokkene zijn bedenkingen kenbaar heeft gemaakt, heeft de korpschef bij besluit van 16 december 2013 met ingang van 31 december 2009 aan betrokkene toegekend de LFNP-functie [naam functie 2] , schaal 9, vakgebied [naam vakgebied] , inzetbaar op Intelligence, Tactische opsporing. Tevens is bij genoemd besluit bepaald dat betrokkene per 1 januari 2012 naar de genoemde functie overgaat. Na deze datum zijn er, aldus verder het besluit, geen formele wijzigingen meer geweest die relevant zijn voor de situatie van betrokkene in het LFNP.

1.4.

Bij besluit van 25 juni 2014 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar tegen het besluit van 16 december 2013 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en opdracht gegeven tot het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat en voor zover hier van belang, overwogen dat de transponeringstabel, behorende bij de Regeling overgang naar een LFNP-functie, Stcrt. 2013, nr. 13141 (Regeling), evenals de Regeling zelf als een algemeen verbindend voorschrift is te beschouwen en dat daaraan niet zodanig ernstige tekortkomingen kleven dat deze niet ten grondslag mocht worden gelegd aan de jegens betrokkene tot stand gebrachte besluitvorming. De rechtbank heeft voorts overwogen niet het standpunt van de korpschef te delen dat deze geen ruimte heeft voor toepassing van de in artikel 5, vierde lid, van de Regeling opgenomen hardheidsclausule indien dat zou leiden tot een andere uitkomst dan wordt gedicteerd door de (laatste stap van de) matching. Indien een beroep wordt gedaan op de hardheidsclausule en de korpschef wenst dit beroep niet te honoreren, dan zal hij, aldus de rechtbank, gemotiveerd en onderbouwd moeten stellen waarom hij van mening is dat het resultaat van de matching in het bewuste individuele geval voorzienbaar was of in overeenstemming is te achten met de bedoeling van de wetgever.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Het hoger beroep van de korpschef is gericht tegen het oordeel van de rechtbank betreffende de in artikel 5, vierde lid, van de Regeling neergelegde hardheidsclausule. De korpschef heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de bewijslast heeft omgekeerd door te oordelen dat indien een beroep wordt gedaan op de hardheidsclausule en de korpschef dit niet wenst te honoreren, hij gemotiveerd en onderbouwd zal moeten stellen waarom hij van mening is dat het resultaat van de matching voorzienbaar was of in overeenstemming is te achten met de bedoeling van de wetgever.

3.2.

Op zichzelf beschouwd stelt de korpschef met juistheid dat wie zich beroept op een in de van toepassing zijnde regelgeving neergelegde hardheidsclausule zoals hier aan de orde, de bewijslast draagt ten aanzien van de feiten die dat beroep moeten onderbouwen. Het betreft immers een uitzonderingsregeling, waaraan de korpschef dan ook niet uit eigen beweging behoeft te toetsen. Hiervan moet worden onderscheiden de motivering van een eventuele weigering om een uitdrukkelijk gedaan en met feiten onderbouwd beroep op de hardheidsclausule te honoreren. Dat laatste, het toelichten waarom in het bewuste geval, in aanmerking genomen de feiten zoals de betrokkene die heeft aangedragen, geen sprake is van, in de formulering van artikel 5, vierde lid, van de Regeling, onbillijkheden van overwegende aard of een bijzondere situatie, is vanzelfsprekend aan de korpschef. De door de korpschef betwiste overweging van de rechtbank ziet op het laatste, niet op het eerste. Van een omkering van de bewijslast kan dus niet worden gesproken.

3.3.

Niettemin betwist de korpschef terecht het oordeel van de rechtbank dat aan het bestreden besluit op dit punt een (motiverings)gebrek kleeft. Betrokkene heeft zich in dit verband beroepen op het feit dat zijn korpsfunctiebeschrijving niet overeenkomt met de feitelijk door hem verrichte werkzaamheden en verantwoordelijkheden. Indien hij zich had gerealiseerd dat zijn functiebeschrijving niet zou matchen met de LFNP-functie had hij destijds functieonderhoud gevraagd. Zoals is overwogen in de onder 3.1 genoemde uitspraak van de Raad van 1 juni 2015, is uitgangspunt bij de matching steeds de formele functiebeschrijving geweest. Indien betrokkene in het kader van het aan de matching voorafgaande proces van functieonderhoud en vaststelling van de uitgangspositie heeft nagelaten feiten of omstandigheden naar voren te brengen waarop hij zich nog dacht te kunnen beroepen in het kader van de matching, komt dit voor zijn risico. De in de Regeling opgenomen hardheidsclausule is niet bedoeld om (alsnog) rekening te houden met werkzaamheden waarvoor functieonderhoud gevraagd had kunnen worden of met extra werkzaamheden, specifieke werkzaamheden, bijzondere situaties en afspraken die in de uitgangspositie vastgelegd hadden kunnen zijn. Zoals is overwogen in de uitspraak van 1 juni 2015 is de hardheidsclausule niet bedoeld om de uitgangspositie te corrigeren. De bezwaren van betrokkene tegen een ernstige verschraling van zijn takenpakket behoefden evenmin tot toepassing van de hardheidsclausule te leiden. Zoals eveneens is overwogen in de uitspraak van 1 juni 2015 kan het feit dat de toegekende LFNP-functie een verschraling van taken meebrengt, niet leiden tot het oordeel dat sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard als hier bedoeld. Een eventuele verschraling van het takenpakket zoals door betrokkene bedoeld, is inherent aan de door de regelgever gekozen wijze van matching en kan dan ook niet als een onbedoelde onbillijke uitwerking van de Regeling worden beschouwd. De korpschef heeft, kortom, niet ten onrechte toepassing van de hardheidsclausule geweigerd.

3.4.

Anders dan de rechtbank en met de korpschef acht de Raad de in het bestreden besluit gegeven motivering op dit punt niet ontoereikend. Daarin staat immers vermeld dat de door betrokkene aangevoerde omstandigheden (waaronder zijn rechtspositionele situatie in relatie tot de door hem verrichte feitelijke werkzaamheden) betrekking hebben op de in de regelgeving gemaakte keuzes en niet als bijzondere omstandigheden kunnen worden aangemerkt. Voorts is vermeld dat de zorgen van betrokkene in het kader van de reorganisatie van de Nederlandse politie of - verdere - ontwikkelingen in zijn (financiƫle) loopbaan niet als een onevenredige benadeling door de regelgeving kunnen worden aangemerkt. Daarmee is wel degelijk, zij het summier, aangegeven waarom, in de woorden van de rechtbank, het resultaat van de matching in het bewuste individuele geval voorzienbaar was of in overeenstemming is te achten met de bedoeling van de wetgever. Weliswaar was het beter geweest als de motivering op deze punten wat meer op de persoon van betrokkene toegesneden was geweest, maar van een motiveringsgebrek op die bewuste punten kan niet worden gesproken.

3.5.

Het hoger beroep van de korpschef slaagt dus. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren. Daarmee komt de grondslag te ontvallen aan het besluit van 21 juli 2015. De Raad zal dat besluit eveneens vernietigen.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 25 juni 2014 ongegrond;

- vernietigt het besluit van 21 juli 2015.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2016.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) S.W. Munneke

IJ