Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2295

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-06-2016
Datum publicatie
27-06-2016
Zaaknummer
15-6046 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. Onduidelijke financiële situatie. Herkomst stortingen op bankrekening onvoldoende onderbouwd. Terugvordering voorschot. Geen dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/6046 WWB

Datum uitspraak: 21 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
30 juli 2015, 14/9016 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I. van Baaren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. van Baaren. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

M.E. Braak.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 14 februari 2014 gemeld om bijstand aan te vragen op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Hij heeft de aanvraag op 27 februari 2014 ingediend.

1.2.

Het college heeft appellant vanaf 31 maart 2014 voorschotten verstrekt op de door hem gevraagde bijstand.

1.3.

In het kader van een onderzoek naar de financiële situatie van appellant, ingesteld naar aanleiding van de aanvraag, heeft de klantmanager van de Afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Rotterdam (klantmanager) appellant onder meer verzocht om zijn bankafschriften vanaf juli 2013 in te leveren en een verklaring, met bewijsstukken, over de wijze waarop hij tot aan de aanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Appellant heeft hierop schriftelijk onder meer verklaard dat hij het afgelopen jaar heeft geleefd van zijn bankkrediet zowel op zijn creditcard als betaalrekening. Appellant heeft de afschriften van zijn bankrekening over de periode van juli 2013 tot juni 2014 overgelegd. Appellant heeft over de bijschrijvingen op zijn rekening verklaard dat hij geld van zijn creditcardrekening heeft opgenomen en vervolgens contant heeft gestort op zijn betaalrekening. Daarnaast heeft appellant verklaard dat hij een deel van die gestorte bedragen heeft geleend van zijn zus. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 1 juli 2014.

1.4.

Bij besluit van 1 juli 2014 (besluit 1) heeft het college, nadat appellant het college in gebreke had gesteld ter zake van de beslissing op zijn aanvraag, de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant onvoldoende stukken heeft ingeleverd om vaststelling van het recht op bijstand mogelijk te maken. Appellant heeft volgens het college onvoldoende inzicht verschaft in zijn financiële situatie doordat de herkomst van de stortingen niet duidelijk is geworden.

1.5.

Bij afzonderlijk besluit van 1 juli 2014 (besluit 2) heeft het college de aan appellant verstrekte voorschotten tot een bedrag van in totaal € 2.461,38 van appellant teruggevorderd.

1.6.

Bij besluit van 20 november 2014 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant tegen besluit 1 en besluit 2 ongegrond verklaard en die besluiten gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij betwist dat hij zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Hij heeft daarbij aangevoerd dat hij alle gegevens heeft overgelegd waar het college om had gevraagd. Hij meent voldoende te hebben duidelijk gemaakt dat hij in de periode voorafgaande aan de aanvraag heeft geleefd van het krediet op zijn creditcardrekening en van de leningen van zijn zus. Over deze leningen heeft appellant een schriftelijke verklaring van zijn zus overgelegd. Appellant stelt zich op het standpunt dat het college hem nog één keer de gelegenheid had moeten bieden om nadere stukken over te leggen. Appellant heeft aangevoerd dat het college op basis van dezelfde stukken een latere aanvraag om bijstand wel heeft gehonoreerd. Volgens appellant heeft het college te lang gewacht met de beslissing op zijn aanvraag. Hiermee heeft het college in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. De beoordeling daarvan door de bestuursrechter betreft de periode die loopt van de datum van de aanvraag tot en met de datum van het afwijzingsbesluit, in dit geding dus de periode van

14 februari 2014 tot en met 1 juli 2014.

4.2.

Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven over onder meer zijn financiële situatie. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Anders dan appellant heeft aangevoerd, heeft hij onvoldoende duidelijk gemaakt hoe hij voorafgaand aan de aanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien, aangezien hij de herkomst van de stortingen niet heeft aangetoond.

4.3.1.

Appellant heeft zijn stelling dat de stortingen op zijn bankrekening kunnen worden verklaard door onder andere leningen van zijn zus, die hem bedragen contant zou hebben verstrekt en rekeningen voor hem zou hebben voldaan, ontoereikend onderbouwd. De overgelegde verklaring is eerst achteraf opgesteld en wordt niet ondersteund door objectieve en verifieerbare gegevens. Aan die verklaring komt daarom, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, niet die betekenis toe die appellant daaraan gehecht wenst te zien. Appellant heeft voorts zijn stelling dat hij ook geld van vrienden heeft geleend evenmin toereikend onderbouwd. Een door hem zelf opgestelde lijst van leningen is onvoldoende om die stelling aannemelijk te achten.

4.3.2.

Appellant heeft ter verklaring van de stortingen voorts gesteld dat hij geregeld van zijn creditcardrekening geld opnam om vervolgens dat geld te storten op zijn betaalrekening. Appellant heeft zijn stelling echter niet zodanig toegelicht en onderbouwd dat die aannemelijk is te achten. In de overgelegde gedingstukken zijn geen aanknopingspunten te vinden voor een verband tussen de opnames en de stortingen. Gelet op de in 4.2 bedoelde bewijslast komt dit voor rekening en risico van appellant.

4.3.3.

De beroepsrond dat het college het recht op bijstand wel kon vaststellen op basis van de door hem overgelegde gegevens slaagt daarom niet.

4.4.

De omstandigheid dat het college eerst na verloop van tijd en eerst na ingebrekestelling de aanvraag van appellant heeft beoordeeld, doet aan het voorgaande niet af. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

4.5.

De beroepsgrond dat appellant een tweede hersteltermijn had moeten worden gegund, slaagt ook niet. Het college was niet gehouden appellant nog nader uitstel te verlenen voor het inleveren van de opgevraagde gegevens. Daarbij komt dat appellant in de bezwaarprocedure alsnog de gelegenheid heeft gehad om nadere stukken over te leggen.

4.6.

Dat aan appellant, zoals hij stelt, naar aanleiding van een latere aanvraag op basis van dezelfde stukken als die welke hij bij deze aanvraag heeft overgelegd alsnog volledige bijstand is toegekend, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals het college ter zitting van de Raad naar voren heeft gebracht en door appellant niet is weersproken, waren zijn omstandigheden bij die latere aanvraag veranderd ten opzichte van die in de hier te beoordelen periode.

4.7.

Appellant heeft ten aanzien van de terugvordering van de voorschotten aangevoerd dat er dringende redenen waren om daarvan af te zien. Volgens appellant heeft de overschrijding van de beslistermijn op zijn aanvraag financiële consequenties voor hem gehad. Deze beroepsgrond slaagt niet. Dringende redenen zijn aan de orde indien terugvordering van bijstand tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de betrokkene zou leiden. Appellant heeft in hoger beroep niet toegelicht en niet onderbouwd dat en, zo ja, in hoeverre de terugvordering van het voorschot in zijn geval dergelijke consequenties met zich meebracht. Zijn stelling ter zake is daarom niet aannemelijk.

4.8.

Uit wat in 4.2 tot en met 4.6 is overwogen volgt dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden met als gevolg dat het college het recht op bijstand niet kon vaststellen. Het college heeft de aanvraag dan ook op goede grond kunnen afwijzen. Uit 4.7 volgt dat het besluit tot terugvordering van de verstrekte voorschotten in rechte stand houdt.

4.9.

Wat onder 4.8 is overwogen brengt mee, dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2016.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) C.A.W. Zijlstra

MK