Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2293

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-06-2016
Datum publicatie
27-06-2016
Zaaknummer
15-5255 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. Thuiswonende meerderjarige dochter met Wsf 2000. Onjuiste opgave van status-formulier. Rentedragende lening o.g.v. art. 3.18 WSF is middel waarover de dochter in redelijkheid kon beschikken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2016/171
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5255 WWB

Datum uitspraak: 21 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

16 juni 2015, 14/6770 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] , (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.A.M. Berendsen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Mr. S.F. Nijhuis, advocaat, heeft de gronden aangevuld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Nijhuis. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.A.A. Marinus.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) met een toeslag van 20%. Daarnaast ontving appellante inkomsten uit arbeid bij [naam BV] , respectievelijk [naam stichting] . De thuiswonende meerderjarige dochter van appellante ontving inkomsten uit studiefinanciering ingevolge de Wet Studiefinanciering 2000

(Wsf 2000) en inkomsten uit arbeid bij [naam bedrijf] .

1.2.

Uit een onderzoek naar de inkomsten van de dochter van appellante heeft het college de conclusie getrokken dat appellante vanaf 8 oktober 2012 daarvan geen juiste en volledige opgave heeft gedaan op de periodiek door haar ingevulde rechtmatigheidsonderzoeksformulieren (statusformulieren). De totale inkomsten van de dochter waren volgens het college hoger dan € 750,- per maand, zodat appellante ingevolge de Toeslagenverordening van de gemeente Nijmegen geen recht had op een toeslag van 20%, maar van 10%.

1.3.

Bij besluit van 7 april 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 augustus 2014 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 8 oktober 2010 tot en met 31 maart 2014 herzien, in die zin dat de toeslag is gewijzigd van 20% naar 10%, en de gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 3.336,80. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante, door geen juiste en volledige opgave te doen van de inkomsten van haar dochter, de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden als gevolg waarvan zij een te hoge toeslag op haar bijstandsuitkering heeft ontvangen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter beoordeling staat de herziening van de aan appellante verleende toeslag over de periode van 8 oktober 2012 tot en met 31 maart 2014 (te beoordelen periode).

4.2.

Ingevolge de hier toepasselijke Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2012B bedraagt de toeslag voor een belanghebbende die de woning deelt met een meerderjarig kind met een inkomen lager dan € 750,- per maand 20%. Bij een inkomen hoger dan dat bedrag bedraagt de toeslag 10%.

4.3.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Gelet op 4.2 is het inkomen van het meerderjarige inwonende kind hieronder begrepen.

4.4.

Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is ingevolge artikel 54, derde lid, eerste volzin van de WWB, zoals dat luidde sinds 1 juli 2013, het college gehouden de bijstand te herzien, indien als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting tot een te hoog bedrag bijstand is verleend. Ingevolge de tweede volzin is het college hiertoe bevoegd indien anderszins tot een te hoog bedrag bijstand is verleend.

Schending inlichtingenverplichting

4.5.

Vaststaat dat de dochter van appellante in de hier te beoordelen periode een

HBO-opleiding volgde en recht had op studiefinanciering ingevolge de Wsf 2000.

4.6.

Het standpunt van het college dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden is gebaseerd op de stelling dat appellante onjuiste en onvolledige opgave op de statusformulieren heeft gedaan van de inkomsten van haar dochter uit studiefinanciering ingevolge de Wsf 2000.

4.7.

Appellante heeft aangevoerd dat zij het college voldoende heeft geïnformeerd over de inkomsten van haar dochter. Zij heeft er in dit verband op gewezen dat zij op onder andere het statusformulier dat zij op 30 oktober 2012 heeft ingeleverd heeft vermeld dat haar dochter een HBO-opleiding volgt en, met vermelding van een bedrag, opgegeven dat zij studiefinanciering ontvangt. Deze grond slaagt niet.

4.7.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 17 maart 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH8155) moet het bijstandverlenend orgaan met het oog op een goede en doelmatige uitvoering van de wet kunnen afgaan op de juistheid van de op de maandelijkse rechtmatigheidsonderzoeksformulieren vermelde gegevens.

4.7.2.

Uit de beschikbare statusformulieren blijkt het volgende. Vraag 4 luidt: ‘Zijn er inwonende kinderen van 18 jaar of ouder die eigen inkomsten hebben (b.v. loon, uitkering, studiefinanciering, enz.)?’. Daaronder kan door middel van doorstrepen de volgende keus worden gemaakt: MBO/HBO/anders, nl ---. Appellante heeft op de statusformulieren die zij heeft ingeleverd op 30 oktober 2012, op 27 februari 2014 en op 31 maart 2014 bepaalde bedragen als door haar dochter ontvangen studiefinanciering vermeld. Op de overige statusformulieren met betrekking tot de te beoordelen periode heeft appellante in sommige gevallen volstaan met de vermelding ‘HBO’, wat ontoereikend is, en in de meeste gevallen heeft zij bij vraag 4 met betrekking tot de studiefinanciering niets vermeld, noch de opleiding noch het ontvangen bedrag.

4.8.

Uit 4.7.1 en 4.7.2 volgt dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden in de maanden waarin zij de ontvangen studiefinanciering niet op de desbetreffende statusformulieren heeft vermeld, te weten de maanden november 2012 tot en met januari 2014. Met betrekking tot de maanden oktober 2012, februari 2014 en maart 2014 heeft appellante, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, de inlichtingenverplichting niet geschonden, nu zij over die maanden wel opgave van ontvangen studiefinanciering heeft gedaan.

4.9.

Appellante heeft aangevoerd dat de schending van de inlichtingenverplichting in de maanden waarin zij geen volledige en juiste opgave van de inkomsten van haar dochter heeft gedaan haar niet kan worden tegengeworpen omdat het college ervan uit kon gaan dat haar dochter de opleiding was blijven volgen en dus recht op studiefinanciering behield. Deze grond slaagt niet. Appellante had op ieder afzonderlijk statusformulier de inkomsten van haar dochter dienen te vermelden, aangezien zich elke maand een wijziging in de situatie had kunnen voordoen.

Tot een te hoog bedrag bijstand verleend

4.10.

Uit 4.4 volgt dat de verplichting dan wel de bevoegdheid tot herziening ontstaat indien tot een te hoog bedrag bijstand is verleend. Appellante heeft aangevoerd dat die situatie zich hier niet voordeed omdat zij recht had op een toeslag van 20%. Zij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het college bij het nemen van het herzieningsbesluit ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat haar dochter feitelijk slechts een basisbeurs ontving en niet een rentedragende lening in de zin van de Wsf 2000 had afgesloten, zodat haar feitelijke inkomen lager was dan € 750,-. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.10.1.

De Raad heeft eerder overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 1 februari 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS4786, dat de tot de studiefinanciering behorende component ‘rentedragende lening’ als middel dient te worden beschouwd, waarover in het kader van de voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de WWB wordt beschikt of redelijkerwijs kan worden beschikt. Dat brengt mee dat het niet afsluiten van een (aanvullende) lening en het als gevolg daarvan niet in staat zijn om bij te dragen aan de kosten niet kan worden afgewenteld op de bijstand. Het college is er gelet op het voorgaande terecht van uitgegaan dat de dochter redelijkerwijs kon beschikken over middelen uit studiefinanciering met een omvang van het maandelijkse normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, zoals bedoeld in artikel 3.18 van de Wsf 2000, ook al ontving zij die bedragen feitelijk niet.

4.10.2.

De hoogte van het normbedrag op grond van de Wsf 2000 was € 573,53 in 2012,

€ 618,29 in 2013 en € 633,44 in 2014. Tussen partijen is niet in geschil dat gedurende de te beoordelen periode het maandinkomen van de dochter, inclusief het fictieve inkomen uit rentedragende lening en rekening houdend met de inkomsten uit haar arbeid bij [naam bedrijf] , meer bedroeg dan € 750,-. Dit betekent gelet op 4.2 dat aan appellante ten onrechte een toeslag van 20% is verleend.

4.11.

Gelet op 4.4 vloeit uit 4.10.1 en 4.10.2 voort dat het college verplicht was de bijstand te herzien over de periode van november 2012 tot en met januari 2014 en dat het college bevoegd was om de bijstand te herzien over de maanden oktober 2012, februari 2014 en

maart 2014. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die moeten leiden tot het oordeel dat het college van die bevoegdheid in redelijkheid geen gebruik kon maken. Dit brengt mee dat de Raad niet tot een ander oordeel over het bestreden besluit komt dan dat van de rechtbank, zodat wat onder 4.8 is overwogen niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leidt.

4.12.

Appellante heeft subsidiair aangevoerd dat het college tot 1 juli 2013 ten aanzien van alle maanden niet verplicht, maar bevoegd was om de toeslag te herzien en dat het college bij de besluitvorming over de periode tot 1 juli 2103 ten onrechte een belangenafweging achterwege heeft gelaten. Deze grond slaagt niet.

4.12.1.

Artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB, zoals deze bepaling luidde tot

1 juli 2013 en waarin nog een bevoegdheid tot herziening was neergelegd, is bij artikel XXII onderdeel I van de Wet van 19 juni 2013 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2013) gewijzigd in artikel 54, derde lid, eerste volzin, waarbij de bevoegdheid, behoudens dringende redenen, een verplichting is geworden. Bij de wijziging van artikel 54 van de WWB is niet in overgangsrecht voorzien. Daarom is in dit geval artikel 54, derde lid, van de WWB, zoals gewijzigd met ingang van 1 juli 2013, van toepassing. Het besluit tot herziening is immers na die datum genomen. Dit had anders kunnen zijn indien strijd was ontstaan met de rechtszekerheid in het geval toepassing van de nieuwe regel tot een voor appellante ongunstiger resultaat zou leiden dan onder het oude recht mogelijk was. Zie onder meer de uitspraak van de Raad van 21 april 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT4358. Deze situatie doet zich hier echter niet voor, aangezien het college tot 1 juli 2013 het beleid voerde dat in geval van schending van de inlichtingenverplichting altijd, behoudens dringende redenen, van de bevoegdheid tot herziening gebruik werd gemaakt.

4.12.2.

De zogenoemde temporele werking van wetgeving leidt niet tot een ander oordeel. Deze werking brengt mee dat de rechten en verplichtingen van een betrokkene in beginsel dienen te worden beoordeeld naar de materiële wetgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop die rechten en verplichtingen betrekking hebben. Het gaat in dit geval om de schending van de inlichtingenverplichting ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB. Die verplichting is met ingang van 1 juli 2013 niet gewijzigd, zodat aan de bedoelde temporele werking in dit geval geen betekenis toekomt.

Terugvordering

4.13.

Appellante heeft aangevoerd dat het college op grond van dringende redenen had moeten afzien van terugvordering van de te veel gemaakte kosten van bijstand. In dit verband heeft zij gesteld dat zij ten tijde van het invullen van de statusformulieren verkeerde in een toestand van overspannenheid door omstandigheden in de privésituatie wegens de zorg voor haar ouders en een grote werkdruk wegens veranderingen op haar werk. Deze grond slaagt niet.

4.13.1.

Dringende redenen kunnen volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 12 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI3834) slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid of financiële consequenties van een terugvordering voor een belanghebbende. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. In het geval van appellante is hiervan geen sprake. De door haar vermelde omstandigheden hebben immers geen betrekking op de gevolgen van de terugvordering.

Slot

4.14.

Uit 4.2 tot en met 4.13.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal, deels met verbetering van de gronden, worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2016.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) C.A.W. Zijlstra

sg