Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2283

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-06-2016
Datum publicatie
21-06-2016
Zaaknummer
13-3089 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen ANW-uitkering omdat appellante met ingang van 1 januari 2012 minder dan 45% arbeidsongeschikt is. Terecht oordeel rechtbank dat bestreden besluit op toereikende medische grondslag berust. Toereikende motivatie arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat appellante de werkzaamheden van geselecteerde functies, met haar beperkingen, kan verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/3089 ANW

Datum uitspraak: 3 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 mei 2013, 12/3220 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.R. Klaver, advocaat, hoger beroep ingesteld. De opvolgend gemachtigde mr. F. Ergec, advocaat, heeft nadere stukken ingezonden.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Ergec en E.M. Loukili, tolk. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Desgevraagd heeft de Svb bij brief van 16 februari 2016 een nader verzekeringsgeneeskundig rapport van 10 februari 2016 en een nader arbeidskundig rapport van 15 februari 2016 ingezonden. Hierop is namens appellante bij brief van 19 februari 2016 gereageerd.

Met toestemming van partijen is bepaald dat verdere behandeling van de zaak ter zitting achterwege kan blijven, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is geboren in 1962 en woont sinds 1983 in Nederland. Haar echtgenoot is in 1999 overleden in verband waarmee de Svb aan appellante een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) heeft toegekend.

1.2.

Bij besluit van 8 september 2011 heeft de Svb appellante meegedeeld dat de aan haar toegekende nabestaandenuitkering met ingang van 31 december 2011 wordt beëindigd, onder overweging dat haar jongste kind op 3 december 2011 de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.

1.3.

Naar aanleiding van het onder 1.2 vermelde besluit heeft appellante de Svb ervan op de hoogte gesteld dat zij meer dan 45% arbeidsongeschikt is. Zij meent dan ook na 31 december 2011 recht te hebben op een nabestaandenuitkering.

1.4.

Vervolgens heeft de Svb het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) verzocht te onderzoeken of appellante met ingang van 1 januari 2012 arbeidsongeschikt is in de zin van de ANW. Bij brief van 17 oktober 2011 heeft het Uwv de Svb geadviseerd appellante minder dan 45% arbeidsongeschikt te achten. Bij beslissing op bezwaar van 25 mei 2012 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante, mede op basis van rapporten van verzekeringsartsen bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding is voor nader onderzoek naar de belastbaarheid van appellante, nu het bestreden besluit is gebaseerd op een toereikende medische grondslag. Uitgaande van de beperkingen zoals die zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 oktober 2011 is de rechtbank er voorts voldoende van overtuigd dat de belastbaarheid van appellante in de geselecteerde functies niet wordt overschreden. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de arbeidsdeskundige zich nog apart heeft gebogen over de problemen die de geringe taalcapaciteiten van appellante met zich brengen in de geduide functies en voldoende gemotiveerd heeft waarom deze functies aan de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid ten grondslag mochten worden gelegd.

3. Appellante heeft in hoger beroep opnieuw aangevoerd dat bij het vaststellen van haar belastbaarheid onvoldoende rekening is gehouden met haar psychische en lichamelijke klachten en verzocht om een nader medisch onderzoek. Zij heeft ter onderbouwing van haar betoog onder meer een brief van 20 januari 2015 van GGZ Westelijk Noord-Brabant, alsmede een brief van 17 december 2013 van de neuroloog T.W. van Strien ingezonden. Uit de eerder ingezonden stukken, waaronder het rapport van de Stichting SAP van 28 december 2012, blijkt volgens appellante dat zij in verband met geheugenstoornissen, inprentingsproblemen en hoofdpijnklachten niet in staat is geweest een traject te volgen om zich de Nederlandse taal eigen te maken. Appellante kan nauwelijks lezen en schrijven. De tot sbc-code 111334 (huishoudelijk medewerker gebouwen) behorende functie van medewerker schoonmaakdienst is daarom niet passend.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.

In geschil is de vraag of de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht heeft geoordeeld dat de Svb terecht heeft geweigerd aan appellante een nabestaandenuitkering toe te kennen omdat zij met ingang van 1 januari 2012 minder dan 45% arbeidsongeschikt is.

4.2.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de ANW heeft de nabestaande die arbeidsongeschikt is recht op een nabestaandenuitkering. Het begrip arbeidsongeschiktheid is nader gedefinieerd in artikel 11 van de ANW. Artikel 11 van de ANW luidt:

“1. Arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

2. In het eerste lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.”

4.3.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 23 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA1702, heeft de wetgever met deze bepaling kennelijk beoogd aan te sluiten bij de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in de arbeidsongeschiktheidswetten en ligt het dan ook voor de hand bij de toepassing van artikel 11 van de ANW zo mogelijk aansluiting te zoeken bij de regelgeving en de rechtspraak met betrekking tot het begrip arbeidsongeschiktheid in die wetten. Dit zal bijvoorbeeld niet mogelijk zijn waar bij het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten van de bepalingen van de arbeidsongeschiktheidswetten wordt afgeweken, nu de ANW voor een dergelijke afwijking geen basis kent. Voorts dienen bij de toepassing van artikel 11 van de ANW doel en strekking van deze wet als uitgangspunt te gelden. In zijn beleidsregel Arbeidsongeschiktheid, SB1018, heeft de Svb in overeenstemming met de rechtspraak van de Raad als uitgangspunt geformuleerd dat de autonome vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de ANW wordt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek overeenkomstig de vereisten van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.

4.4.

De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het bestreden besluit op een toereikende medische grondslag berust. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de Svb door middel van het ingebrachte rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van
10 februari 2016 toereikend heeft gemotiveerd dat appellante ook in hoger beroep geen objectieve medische gegevens heeft ingebracht die twijfel doen rijzen aan de juistheid van de in de FML van 13 oktober 2011 vastgestelde functionele mogelijkheden van appellante.

4.4.1.

Wat betreft de gestelde psychische problemen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de in hoger beroep ingezonden informatie van GGZ Westelijk Noord-Brabant van
20 januari 2015 bestudeerd. Hieruit blijkt volgens deze verzekeringsarts dat de psychische klachten medio 2013 van een andere grootte waren dan op de datum in geding en dat verwijzing eerst ruim anderhalf jaar na die datum heeft plaatsgevonden. De opgenomen beperkingen in sociaal functioneren en met betrekking tot de werktijden acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep in overeenstemming met het psychisch ziektebeeld dat appellante op de datum in geding vertoonde. Ook de brief van neuroloog Van Strien van
17 december 2013 werpt geen ander licht op de vastgestelde beperkingen van appellante omdat hieruit niet kan worden afgeleid dat de gestelde pijnklachten op de datum in geding tot het aannemen van meer beperkingen hadden moeten leiden. Daarbij wijst de verzekeringsarts bezwaar en beroep er voorts op dat appellante op het aanvraagformulier voor een nabestaandenuitkering geen rugklachten, maar enkel schouderklachten en psychische klachten heeft vermeld. Uit wat namens appellante in reactie op het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog is ingebracht kan niet worden opgemaakt dat op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren onvoldoende beperkingen zijn aangenomen.

4.5.

Voorts heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toereikend gemotiveerd waarom appellante ondanks haar medische beperkingen in staat moet worden geacht de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de voor haar geselecteerde functies.

4.6.

Met betrekking tot het aspect beheersing van de Nederlandse taal heeft appellante in hoger beroep staande gehouden dat zij de Nederlandse taal slechts zeer beperkt machtig is. Ten behoeve van het bestreden besluit zijn uiteindelijk de functies medewerker operations A (sbc-code 111010), textielproductenmaker (sbc-code 111160) en huishoudelijk medewerker gebouwen (sbc-code 111334) geselecteerd. Appellante betwist de passendheid van de functie medewerker schoonmaakdienst. In die functie wordt gewerkt onder leiding van een voorvrouw. De medewerker krijgt mondelinge opdrachten en schriftelijke instructies in de vorm van een weekprogramma. Bij het begin van de dienst wordt het werk in de instructieruimte ingedeeld. In zijn rapport van 15 februari 2016 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep uiteengezet dat het hier gaat om korte, eenvoudig geschreven aanwijzingen waarvoor basaal leesniveau nodig is. Daar komt bij dat de voorvrouw altijd aanwezig is voor het geven van een mondelinge toelichting. Geen aanleiding wordt gezien de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in deze niet te volgen. De conclusie moet zijn dat appellante in staat moet worden geacht ook deze functie te vervullen en dat het bestreden besluit ook in arbeidskundig opzicht voldoende draagkrachtig is gemotiveerd.

5. Uit de overwegingen onder 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en P. Vrolijk en L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2016.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) J.W.L. van der Loo

MO