Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2279

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
27-06-2016
Zaaknummer
14/5494 WWB
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2866
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Voldoende feitelijke grondslag voor aannemen gezamenlijke huishouding. Hoofdverblijf en wederzijdse zorg. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5494 WWB, 14/5495 WWB, 16/1117 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

22 augustus 2014, 13/3721 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug (appellant)

[Betrokkene 1] (betrokkene 1) en [betrokkene 2] (betrokkene 2) , te [woonplaats]

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkenen hebben een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader besluit van 21 juli 2015 toegezonden.

Betrokkenen hebben daartegen beroep ingesteld.

Appellant heeft een verweerschrift ingediend en enkele schriftelijke vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.V. Tuchkova. Betrokkenen zijn in persoon verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkenen woonden tot 26 januari 2010 in een stacaravan annex blokhut op het adres [adres 1] te [plaatsnaam] . Vanaf 26 januari 2010 wonen beiden op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Op 28 april 2010 heeft betrokkene 1 een aanvraag om een inkomensvoorziening ingevolge de Wet investeren in jongeren (WIJ) ingediend. Daarbij heeft zij onder meer aangegeven dat zij inwonend is bij betrokkene 2 en voorlopig geen huur betaalt. Bij besluit van 17 augustus 2010 heeft appellant aan betrokkene 1 met ingang van 28 april 2010 een WIJ-uitkering toegekend. Bij besluit van 24 september 2010 heeft appellant deze inkomensvoorziening in verband met het bereiken van de 27-jarige leeftijd van betrokkene 1 met ingang van 30 juni 2010 omgezet in een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10%.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding dat betrokkenen samenwonen heeft de sociale recherche van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene 1 verleende bijstand en WIJ-uitkering. Daarbij is onder meer dossieronderzoek verricht, is Suwi-net geraadpleegd, zijn bankgegevens geanalyseerd en zijn betrokkenen afzonderlijk verhoord. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een eindrapportage van 18 december 2012 met bijlagen.

1.3.

Appellant heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gevonden om bij besluit van

2 januari 2013 (besluit 1) de bijstand [lees: WIJ-uitkering en bijstand] van betrokkene 1 met ingang van 28 april 2010 in te trekken. Bij besluit van 26 maart 2013 (besluit 2) heeft appellant voorts de gemaakte kosten van bijstand [lees: WIJ-uitkering en bijstand] tot een bedrag van € 19.226,16 van betrokkene 1 teruggevorderd en mede teruggevorderd van betrokkene 2. Aan deze besluiten is ten grondslag gelegd dat betrokkenen een gezamenlijke huishouding voeren zonder dat betrokkene 1 daarvan melding heeft gemaakt bij appellant. Omdat betrokkene 1 geen zelfstandig subject van bijstand was, had zij geen recht op een uitkering als alleenstaande.

1.4.

Bij besluit van 10 juni 2013 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen besluit 2 gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat alsnog van brutering van de terugvordering is afgezien en het (mede) terug te vorderen bedrag nader is vastgesteld op € 16.321,20.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover dat ziet op de intrekking over de periode van 28 april 2010 tot en met 31 augustus 2011 [lees: 2012] en de terugvordering, het besluit van 2 januari 2013 herroepen en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen over de terugvordering met inachtneming van haar uitspraak. Daarbij heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat appellant ten onrechte tot intrekking en terugvordering is overgegaan op de grond dat betrokkene 1 met betrekking tot het voeren van een gezamenlijke huishouding met betrokkene 2 haar wettelijke inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Ten aanzien van de periode van 7 maart 2011 tot en met 3 juni 2011 heeft de rechtbank geoordeeld dat betrokkene 1 de op haar rustende inlichtingenverplichting wel heeft geschonden omdat zij geen melding heeft gemaakt van diverse in die periode op haar bankrekening ontvangen bedragen, in totaal € 3.146,-. Gelet hierop had appellant in plaats van tot intrekking tot herziening moeten overgaan, de terugvordering van betrokkene 1 moeten beperken en van medeterugvordering van betrokkene 2 in het geheel had moeten afzien.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. Appellant heeft bij besluit van 21 juli 2015 ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nadere beslissing op de bezwaren van betrokkenen genomen. Daarbij heeft appellant de intrekking met ingang van 28 april 2010 gehandhaafd, de terugvordering beperkt tot de periode van 7 maart 2011 tot en met 31 augustus 2012 en het terug te vorderen bedrag gematigd tot een nettobedrag van € 13.637,52.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling en verwijst voor de toepasselijke wettelijke bepalingen en vaste rechtspraak naar de aangevallen uitspraak.

5.1.

Het nader besluit van 21 juli 2015 van appellant zal met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht mede in de beoordeling worden betrokken.

Intrekking over de periode van 28 april 2010 tot en met 6 maart 2011

5.2.

Aangezien appellant de terugvordering over de periode van 28 april 2010 tot en met

6 maart 2011, blijkens het nader besluit van 21 juli 2015, niet langer heeft gehandhaafd, heeft appellant - zoals ter zitting van de Raad ook erkend - geen rechtens te respecteren belang meer bij een inhoudelijk oordeel van de Raad over de intrekking van de WIJ-uitkering en de bijstand over deze periode. Het hoger beroep is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

Intrekking met ingang van 7 maart 2011

5.3.

De te beoordelen periode loopt van 7 maart 2011 tot en met 2 januari 2013.

5.4.

De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende grondslag voor het standpunt van appellant dat betrokkenen in de hier te beoordelen periode samen een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

In geschil is niet dat zij gezamenlijk hoofdverblijf hadden op het uitkeringsadres, doch alleen of zij voorzagen in zorg voor elkaar als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB. Doorslaggevend daarvoor acht de Raad de door beiden, onafhankelijk van elkaar, ten overstaan van de sociale recherche afgelegde verklaringen op 10, 11 en 12 oktober 2012. Uit deze verklaringen komt eenduidig naar voren dat betrokkene 1 geen huur betaalt, dat zij (in ruil daarvoor) allerlei huishoudelijke werkzaamheden ten behoeve van betrokkene 2 verricht, dat betrokkene 2 financieel zo nodig bijspringt en bedragen aan haar heeft overgemaakt voor boodschappen en onder meer voor aanschaf van kleding. Daarnaast is door betrokkene 2 erkend dat betrokkenen in ieder geval vanaf september 2012 gewoon samenleven als man en vrouw. Aldus is onmiskenbaar sprake van financiële verstrengeling, die verder gaat dan het enkel delen van woonlasten. Naast het hoofdverblijf van betrokkenen in dezelfde woning op het uitkeringsadres is derhalve ook sprake van wederzijdse zorg. Nu deze wederzijdse zorg de grens van wat in een zakelijke relatie nog gebruikelijk is te boven gaat, heeft appellant terecht aangenomen dat aan beide criteria van het begrip gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB is voldaan.

5.5.

Betrokkene 1 heeft aangevoerd dat zij van meet af aan opening van zaken heeft gegeven, dat geen sprake is geweest van schending van de inlichtingenverplichting en dat appellant heeft verzuimd tijdig onderzoek in te stellen naar de feitelijke woon- en leefsituatie. Zij kan in dit standpunt echter niet worden gevolgd. Weliswaar heeft betrokkene 1 bij de aanvraag van de WIJ-uitkering aangegeven dat zij voorlopig geen huur betaalt, maar niet dat deze voorlopige situatie op enig moment een permanent karakter heeft gekregen en evenmin dat zij in ruil voor het niet betalen van huur allerlei huishoudelijk werk ten behoeve van betrokkene 2 verrichtte en in de loop der tijd ook is blijven verrichten en van betrokkene 2 betalingen voor onder meer kleding ontving. Aldus heeft betrokkene 1 de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Dat appellant geen aanleiding heeft gezien eerder een onderzoek in te stellen naar de feitelijke woon- en leefsituatie van betrokkenen maakt dit niet anders. Een bijstandontvanger dient immers onverwijld en uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat dit van invloed kan zijn op (voortzetting van) het recht op bijstand.

Terugvordering en medeterugvordering

5.6.

Met de vaststelling van de gezamenlijke huishouding en de schending van de inlichtingenverplichting, is gegeven dat aan de voorwaarden voor intrekking en (mede)terugvordering is voldaan. Appellant was dan ook bevoegd met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot intrekking van de bijstand van betrokkene 1. Daarnaast was appellant ingevolge artikel 58, eerste lid, van de WWB gehouden tot terugvordering van gemaakte kosten van bijstand van betrokkene 1 over de periode van 7 maart 2011 tot en met 31 augustus 2012 en tevens met toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB bevoegd tot medeterugvordering van die kosten van betrokkene 2 over diezelfde periode.

Het nader besluit van 21 juli 2015

5.7.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep van betrokkenen tegen het nader besluit van

21 juli 2015, nu dit - voor zover van belang - enkel nog ziet op de periode vanaf 7 maart 2011, geen doel treft. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat appellant, ter compensatie van het tijdelijk onderbroken onderzoek en de vertraagde besluitvorming, het bruto terug te vorderen bedrag al in een eerder stadium had beperkt tot een nettobedrag. Voor een verdergaande matiging van de terugvordering van gemaakte kosten van bijstand wegens dringende redenen ziet ook de Raad geen grond.

Conclusie

5.8.

Uit 5.3 tot en met 5.6 volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt. Omwille van de duidelijkheid zal de aangevallen uitspraak in zijn geheel worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, voor zover dit ziet op de terugvordering, zelf voorziend - met inachtneming van het nader besluit van 21 juli 2015 - bepalen dat de terugvordering tot een bedrag van € 13.637,52 wordt beperkt en alsnog een beslissing geven over het griffierecht in beroep.

6. Geen aanleiding bestaat voor een veroordeling in de proceskosten van betrokkenen, nu daarom niet is verzocht en ook niet is gebleken dat deze zijn gemaakt. .

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het hoger beroep voor zover dit ziet op de intrekking over de periode van 28 april
2010 tot en met 6 maart 2011 niet-ontvankelijk;

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 10 juni 2013 voor zover daarbij de terugvordering is bepaald op € 16.321,20 en stelt dit bedrag vast op € 13.637,52;

- bepaalt dat appellant het door betrokkenen betaalde griffierecht in beroep van € 44,-
vergoedt;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 juli 2015 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en F. Hoogendijk en

J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2016.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) A. Stuut

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage ) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

IJ