Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2265

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-06-2016
Datum publicatie
27-06-2016
Zaaknummer
14/5484 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Gezamenlijke huishouding. Voldoende feitelijke grondslag voor hoofdverblijf en wederzijdse zorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5484 WWB, 14/5486 WWB

Datum uitspraak: 14 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

19 augustus 2014, 13/8130 en 13/8131 (aangevallen uitspraak), en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.J. de Kaste, advocaat, hoger beroep ingesteld. Daarbij is tevens een verzoek om schadevergoeding gedaan.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 3 mei 2016. Partijen zijn met bericht niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sedert 17 november 2009 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Appellante staat sinds 17 november 2009 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans basisregistratie personen) ingeschreven op het adres [adres] (uitkeringsadres). [naam] (M) staat sinds 6 maart 2009 niet langer ingeschreven in de GBA.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellante samenwoont met M, heeft een sociaal rechercheur, werkzaam bij de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Schiedam, een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociaal rechercheur onder meer dossieronderzoek verricht, gegevens opgevraagd over het waterverbruik op het uitkeringsadres, informatie ingewonnen bij (voormalige) werkgevers van M, aan de woning op het uitkeringsadres een huisbezoek gebracht en samen met een collega appellante verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 18 juni 2013.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

21 juni 2013 (besluit 1) de bijstand van appellante met ingang van 1 juni 2013 in te trekken en bij besluit van 22 juli 2013 (besluit 2) de bijstand per 17 november 2009 in te trekken en de over de periode van 17 november 2009 tot en met 31 mei 2013 ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 51.288,36 van appellante terug te vorderen. Aan besluiten 1 en 2 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante, zonder daarvan melding te maken bij het college, een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met M.

1.4.

Bij twee afzonderlijke besluiten van 6 november 2013 (bestreden besluiten) heeft het college het bezwaar van appellante tegen besluit 1 ongegrond verklaard, het bezwaar van appellante tegen besluit 2 gegrond verklaard, besluit 2 in zoverre herroepen dat de periode waarover de bijstand wordt ingetrokken wordt vastgesteld op 25 augustus 2010 tot en met

31 mei 2013 en het bedrag van de terugvordering bepaald op € 39.143,26.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende aanknopingspunten bieden voor de conclusie van het college dat in dit geval sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen appellante en M gedurende de periode van 25 augustus 2010 tot en met 31 mei 2013 en dat deze gezamenlijke huishouding ook daarna nog voortduurde. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er voldoende aanknopingspunten zijn om te spreken van een gezamenlijk hoofdverblijf op het uitkeringsadres. M is tijdens het huisbezoek van 12 juni 2013 in de woning van appellante aangetroffen. In de woning zijn een herengarderobe en herenverzorgingspullen aangetroffen, waarvan appellante heeft verklaard dat deze van M zijn. M heeft een sleutel van de woning en hij gebruikt het uitkeringsadres als adres bij zijn werkgevers. Appellante heeft verklaard dat M elke week bij haar is en meestal zo’n vier nachten per week bij haar verblijft. Ten slotte blijkt uit het waterverbruik van appellante dat dit sinds 25 augustus 2010 extreem hoog is ten opzichte van het gemiddeld verbruik van een eenpersoonshuishouden. Voorts kan worden gesproken van wederzijdse zorg. Op de van 19 juni 2008 tot 6 januari 2012 actieve, ten name van appellante staande, rekening bij de ABN AMRO-bank werd het loon van M gestort. Verder is uit de verklaring van appellant gebleken dat zij de boodschappen doet, de was van M doet en kookt. M betaalt de boodschappen en laat de honden van appellante uit. Het college heeft voldoende onderbouwd waarom uiteindelijk is gekozen voor 25 augustus 2010 als begindatum van de geconstateerde gezamenlijke huishouding. Dit is de datum vanaf wanneer sprake is van een extreem hoog waterverbruik in de woning van appellante. Door van het voeren van een gezamenlijke huishouding geen melding te maken bij het college heeft appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Appellante was niet als zelfstandig subject van bijstand aan te merken en had dus geen recht op bijstand naar de norm van een alleenstaande.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende zijn om te concluderen dat zij en M een gezamenlijke huishouding met elkaar hebben gevoerd. Appellante heeft gesteld het onterecht te vinden dat het extreem hoge waterverbruik als startdatum wordt gehanteerd voor de intrekking van bijstand omdat appellante buiten haar schuld om te kampen heeft gehad met een te hoog vastgesteld waterverbruik.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 25 augustus 2010 tot en met 21 juni 2013.

4.2.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Het oordeel van de rechtbank dat sprake was van een gezamenlijke huishouding, en de in 2 verwoorde overwegingen waarop dat oordeel berust, worden onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat M in de te beoordelen periode bij verschillende werkgevers telkenmale het uitkeringsadres als zijn adres heeft opgegeven. Bij werkgever [werkgever] , bij wie M van 12 maart 2012 tot 8 maart 2013 in dienstbetrekking stond, heeft M tevens gemeld samenwonend te zijn. Verder heeft appellante verklaard dat M ook wel langer dan vier dagen per week bij haar verblijft, dat hij zijn privéleven als het ware vanuit haar woning leidt en dat deze situatie zich voordoet sinds zij in de schuldsanering (december 2011) is gekomen. De eerst in hoger beroep betrokken stelling dat het waterverbruik te hoog is vastgesteld, heeft appellante niet onderbouwd.

4.3.

Uit wat in 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Voor toewijzing van het verzoek om schadevergoeding is geen grond.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en J.L. Boxum en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2016.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) C. Moustaïne

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

ij