Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2263

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-06-2016
Datum publicatie
21-06-2016
Zaaknummer
16/2698 PW-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Gezamenlijke huishouding. Individualiseringsbeginsel. Geen zelfstandig subject van bijstand. Geen afstemming o.g.v. art. 18 WWB. Voorlopig oordeel: De aangevallen uitspraak blijft naar verwachting in stand. Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 3
Wet werk en bijstand 11
Wet werk en bijstand 18
Wet werk en bijstand 54
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2016/270
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2698 PW-VV

Datum uitspraak: 16 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. S. Faber, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland van 26 februari 2016, 15/5925 en 15/5938 (aangevallen uitspraak) en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2016. Voor verzoeker is verschenen mr. Faber. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door T.A. van den Hoff.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Verzoeker ontving sinds 2004 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Hij staat sinds 3 mei 1994 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, thans Basisregistratie personen, ingeschreven op het adres van zijn ouders aan de [adres] (uitkeringsadres). Met ingang van 2 mei 2014 staat ook [naam] (G) op het uitkeringsadres ingeschreven. G heeft de Canadese nationaliteit. De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (staatssecretaris) heeft op 14 april 2014 aan G voor de periode van

15 januari 2014 tot 15 januari 2019 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (verblijfsvergunning) als bedoeld in artikel 8, sub a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) verleend, voor verblijf als gezinslid bij verzoeker. Op de verblijfsvergunning staat vermeld dat een beroep op de algemene middelen gevolgen kan hebben voor het verblijfsrecht van G.

1.2.

Bij besluit van 24 juli 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 december 2015 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van verzoeker met ingang van 21 juli 2015 ingetrokken. Aan die besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat verzoeker een gezamenlijke huishouding voert met zijn partner G, zodat verzoeker geen afzonderlijk subject van bijstand is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (rechtbank), voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Verzoeker heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. Het verzoek strekt ertoe te bepalen dat het college aan verzoeker bijstand verstrekt gedurende de hoger beroepsprocedure.

3.2.

Verzoeker heeft aangevoerd dat het college de bijstand van verzoeker met toepassing van het individualiseringsbeginsel van artikel 18 van de PW had moeten continueren naar de norm voor een alleenstaande. Dat is het geval omdat het college, door de bijstand in te trekken, verzoeker en G dwingen een aanvraag naar de norm voor gehuwden te doen. Een beroep op de algemene middelen kan echter gevolgen hebben voor het verblijfsrecht van G. Het college kan onder die omstandigheid niet in redelijkheid vergen dat verzoeker en G een aanvraag naar de norm voor gehuwden doen en had met toepassing van artikel 18 van de PW moeten afstemmen.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat verzoeker en G in de te beoordelen periode, die loopt van

21 juli 2015 tot en met 24 juli 2015, een gezamenlijke huishouding voerden. Evenmin is in geschil dat G in de te beoordelen periode rechthebbende was in de zin van artikel 11, tweede lid, van de PW en uit dien hoofde aanspraak kon - en ook nu nog - kan maken op bijstand.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat verzoeker, gelet op artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de PW, in de te beoordelen periode moet worden aangemerkt als gehuwd. Hij was geen zelfstandig subject van bijstand en heeft ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande ontvangen. Dit betekent dat het college de bijstand op goede gronden heeft ingetrokken. Gelet hierop wordt niet toegekomen aan afstemming van de bijstand op grond van artikel 18 van de PW. Wat verzoeker beoogt, komt er in dit geval op neer dat artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de PW - met toepassing van artikel 18 van de PW - opzij wordt gezet omdat G niet in aanmerking wil komen voor bijstand. Artikel 18 van de PW biedt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, daartoe niet de mogelijkheid.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat de bijzondere omstandigheden van verzoeker en G er niet toe kunnen leiden dat via artikel 18 van de PW de bijstand van verzoeker naar de norm voor een alleenstaande wordt gecontinueerd. Wat de bijzondere omstandigheden van het geval betreft, wordt hier bovendien het volgende overwogen. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat een beroep op de algemene middelen noodzakelijk zal leiden tot intrekking van de verblijfsvergunning van G. De individuele afweging met betrekking tot de verblijfsvergunning van G dient plaats te vinden door de staatssecretaris in het kader van de toepassing van de Vw 2000. De staatssecretaris zal de bijzondere omstandigheden van het geval in zijn beoordeling betrekken.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat verzoeker geen recht heeft op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Hij kan bijstand aanvragen naar de norm voor gehuwden. De omstandigheid dat hij dat niet wil doen, berust op een eigen keuze. De gevolgen van die keuze dienen voor zijn rekening en risico te blijven.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak naar verwachting in de bodemprocedure in stand zal kunnen blijven. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening dient dan ook te worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2016.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) A.M.C. de Vries

MK