Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2259

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-06-2016
Datum publicatie
20-06-2016
Zaaknummer
15/221 WIA-V
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond. Niet verschoonbare termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0665
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 17 juni 2016

15/221 WIA-V

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 november 2014, 14/94 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 18 september 2015 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Namens appellant heeft [gemachtigde] (gemachtigde) verzet gedaan.

Het verzet is behandeld ter zitting van 10 mei 2016. Appellant en gemachtigde zijn verschenen. Het college is met voorafgaand bericht niet verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 18 september 2015 berust op de overwegingen dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.

De laatste dag waarop tijdig een hogerberoepschrift kon worden ingediend, was 8 januari 2015. Het hogerberoepschrift is gedateerd 7 januari 2015 en is op 9 januari 2015 bij de balie van de Raad afgegeven. Het is daarmee niet tijdig ingediend.

In verzet heeft gemachtigde onder meer aangevoerd dat zij op grond van haar berekening in de veronderstelling verkeerde dat zij op 9 januari 2015 nog tijdig hoger beroep kon instellen en dat zij lang heeft moeten wachten op toestemming van appellant.

De Raad is van oordeel dat gemachtigde geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat van verzuim geen sprake is geweest. In zijn uitspraak van 10 december 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY5827) heeft de Raad uiteengezet hoe het in artikel 6:8 van de Awb neergelegde stelsel moet worden begrepen en toegepast. Daarvan uitgaande is het hogerberoepschrift (één dag) te laat ingediend.

De Raad ziet in het gegeven dat gemachtigde in afwachting was van de toestemming van appellant geen grond voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

Nu ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat appellant niet in verzuim is geweest, moet het verzet ongegrond worden verklaard.

De Raad ziet aanleiding te bepalen dat het in hoger beroep betaalde griffierecht aan appellant wordt terugbetaald.

Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het verzet ongegrond;

- bepaalt dat het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 123,- door de griffier van de

Centrale Raad van Beroep aan appellant wordt terugbetaald.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van N. Talhaoui als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2016.

(getekend) T.G.M. Simons

(getekend) N. Talhaoui

MO