Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2248

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
17-06-2016
Zaaknummer
15/1779 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering nabestaandenuitkering toe te kennen. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de ANW heeft de nabestaande die arbeidsongeschikt is recht op een nabestaandenuitkering. Het begrip arbeidsongeschiktheid is nader gedefinieerd in artikel 11 van de ANW. Juiste medische grondslag. Uitgaande van de juistheid van de FML moet appellante in staat worden geacht de werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige in zijn rapport geselecteerde functies te vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 15 juni 2016

15/1779 ANW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

30 januari 2015, 14/4018 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A.J. Koks, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend en nog een reactie ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2016. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. T.B.M. Kersten. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is, na het overlijden van haar echtgenoot op [in] 1997 in het genot gesteld van een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW).

1.2.

Omdat het jongste kind van appellante op 24 februari 2014 18 jaar werd, heeft de Svb bij besluit van 6 februari 2014 de nabestaandenuitkering met ingang van 1 maart 2014 ingetrokken. In dat besluit is vermeld dat indien appellante 45% of meer arbeidsongeschikt is zij nog wel in aanmerking kan komen voor een nabestaandenuitkering.

1.3.

Appellante heeft op 6 februari 2014 de Svb telefonisch bericht dat zij zich meer dan 45% arbeidsongeschikt acht. Op verzoek van de Svb heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) vervolgens een medisch en arbeidskundig onderzoek verricht naar de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op 1 maart 2014. Op grond van rapporten van de verzekeringsarts van 24 maart 2014 en de arbeidsdeskundige van

3 april 2014 heeft het Uwv heeft de Svb geadviseerd om appellante niet aan te merken als arbeidsongeschikt in de zin van de ANW.

1.4.

Bij besluit van 15 april 2014 heeft de Svb geweigerd aan appellante een nabestaandenuitkering toe te kennen omdat zij niet voor minstens 45% arbeidsongeschikt is.

1.5.

Bij besluit van 6 oktober 2014 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 april 2014 ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten afgewezen. Daartoe heeft de Svb verwezen naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv van 11 september 2014.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist is. De verzekeringsarts heeft bij het opstellen van de Functionele mogelijkhedenlijst (FML) voldoende rekening gehouden met de beperkingen van appellante. Met de ingebrachte rapporten van het Uwv heeft de Svb toereikend gemotiveerd waarom appellante ondanks haar medische beperkingen in staat moet worden geacht de werkzaamheden te verrichten die verbonden zijn aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig is, nu er geen tolk is ingeschakeld, geen informatie is ingewonnen bij de huisarts, de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellante zelf niet heeft onderzocht en er ten onrechte niet is getoetst aan de toepasselijke verzekeringsgeneeskundige protocollen. Appellante is verder van mening dat haar medische beperkingen zijn onderschat. Ook zijn de voor appellante geselecteerde functies niet voor haar geschikt. Appellante verzoekt de Raad een onafhankelijke deskundige te benoemen.

4. De Svb heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

In geschil is de vraag of de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht heeft geoordeeld dat de Svb met recht heeft geweigerd aan appellante een nabestaandenuitkering toe te kennen omdat zij minder dan 45% arbeidsongeschikt is.

5.2.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de ANW heeft de nabestaande die arbeidsongeschikt is recht op een nabestaandenuitkering. Het begrip arbeidsongeschiktheid is nader gedefinieerd in artikel 11 van de ANW.

Artikel 11 van de ANW luidt:

“1. Arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

2. In het eerste lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.”

5.3.

Zoals de rechtbank terecht overweegt wordt er volgens vaste rechtspraak van uitgegaan dat de wetgever met deze bepaling kennelijk heeft beoogd aan te sluiten bij de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in de arbeidsongeschiktheidswetten en ligt het dan ook voor de hand bij de toepassing van artikel 11 van de ANW zo mogelijk aansluiting te zoeken bij de regelgeving en de rechtspraak met betrekking tot het begrip arbeidsongeschiktheid in die wetten.

5.4.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit het rapport van 24 maart 2015 van de verzekeringsarts niet blijkt dat het onderzoek van appellante is bemoeilijkt door een taalbarrière. Appellante werd vergezeld van haar Nederlands sprekende dochter, die – zoals uit de gedingstukken blijkt – voor vertaling van het besprokene zorg droeg. Ook uit het verslag van de hoorzitting op 10 juli 2014 blijkt niet. Ook daar was appellante vergezeld van haar dochter alsook van haar gemachtigde. In dat verslag is opgetekend wat de dochter van appellante namens haar moeder naar voren heeft gebracht. Dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep hetgeen aldaar namens appellante is gesteld op een bepaalde manier kwalificeert, maakt nog niet dat er ten onrechte geen tolk is ingeschakeld. Immers het gaat hierbij niet om een vertaling van hetgeen is verklaard door appellante, doch om een kwalificatie die de verzekeringsarts bezwaar en beroep geeft aan hetgeen letterlijk is opgetekend in bedoeld verslag.

5.5.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellante dat de verzekeringsartsen ten onrechte geen informatie hebben opgevraagd bij de huisarts van appellante, wijst de Raad er op dat volgens vaste rechtspraak een verzekeringsarts in beginsel mag varen op zijn eigen oordeel (uitspraak van 20 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI4863). Het raadplegen van de behandelend sector is evenwel aangewezen in die gevallen waarin reeds een behandeling in gang is gezet of zal worden gezet, welke behandeling een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden van een betrokkene tot het verrichten van arbeid, of indien een betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over de beperkingen. Geen van beide situaties heeft zich hier voorgedaan, zodat er voor de verzekeringsarts geen aanleiding heeft bestaan om nadere informatie in te winnen. Daarbij is nog van belang dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beschikking had over een veelheid van informatie van de behandelend sector, waaronder informatie van de huisarts van appellante. Blijkens zijn rapport van 11 september 2014 heeft hij deze informatie ook uitdrukkelijk bij zijn beoordeling betrokken. De stelling van appellante dat zij ten onrechte niet door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is onderzocht treft evenmin doel. Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 8 oktober 2004, ECLI:CRVB:2004:AR5292) betekent de enkele omstandigheid dat lichamelijk onderzoek in de bezwaarfase achterwege is gebleven niet dat reeds om die reden de besluitvorming onzorgvuldig moet worden geacht. Ten aanzien van de stelling dat bij de beoordeling ten onrechte geen acht is geslagen op de verzekeringsgeneeskundige protocollen wijst de Raad op hetgeen daaromtrent is overwogen in de uitspraak van 16 september 2009

(zie ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7873). Uit die uitspraak volgt dat dergelijke verzekeringsgeneeskundige protocollen bedoeld zijn als een hulpmiddel voor de verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Nu van de zijde van het Uwv een zorgvuldig onderzoek is ingesteld naar de gezondheidstoestand van appellante kan deze beroepsgrond niet leiden tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Gelet op het voorgaande mocht de Svb bij zijn besluitvorming uitgaan van de door de verzekeringsartsen van het Uwv uitgebrachte rapporten.

5.6.

Verder is niet gebleken dat de ter zake opgestelde rapporten inconsistenties bevatten of niet concludent zijn, dan wel dat de medische beoordeling onjuist is of aan de juistheid van deze beoordeling twijfel bestaat. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat de beschikbare gedingstukken geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen met betrekking tot de belastbaarheid van appellante als weergegeven in de FML van 24 maart 2014. De lichamelijke en psychische klachten van appellante zijn door de verzekeringsarts onderkend en hebben ook geleid tot in de FML opgenomen beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft mede aan de hand van de informatie van de behandelend sector vastgesteld dat de functionele beperkingen, vermeld in de FML een inzichtelijke en rationele relatie hebben met de verzamelde gegevens. De Raad kan zich op dit punt dan ook geheel vinden in de overwegingen van de rechtbank en het daarop gebaseerde oordeel. Hierbij is nog van belang dat uit de in hoger beroep overgelegde uitgebreide informatie van de behandelend sector blijkt dat de behandelend artsen, te weten een internist, reumatoloog, neuroloog en een cardioloog de lichamelijke klachten van appellante niet hebben kunnen objectiveren en dat de hypertensie met behulp van medicatie goed is ingesteld. Ook blijkt uit die informatie dat appellante zich in verband met de bij haar bestaande depressie eerst in maart 2015 onder behandeling heeft gesteld van de praktijk ondersteuner huisarts GGZ, derhalve ruim een jaar na de hier in geding zijnde datum. Voor het aannemelijk maken dat de gegeven medische beoordeling door de verzekeringsartsen van het Uwv inhoudelijk onjuist is, is in beginsel een rapport van een regulier medicus noodzakelijk (vergelijk de uitspraak 10 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6138). Appellante heeft een rapport op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de rapporten van verzekeringsgeneeskundige aard inconsistenties bevatten of niet concludent zijn, dan wel dat de medische beoordeling onjuist is of aan de juistheid van deze beoordeling twijfel bestaat niet overgelegd. De Raad ziet – gelet op het vorenstaande – dan ook geen reden een onderzoek door een onafhankelijk deskundige als verzocht te entameren.

5.7.

Uitgaande van de juistheid van de FML komt de rechtbank terecht tot het oordeel dat appellante in staat moet worden geacht de werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige in zijn rapport van 3 april 2014 geselecteerde functies te vervullen. In de Resultaat functiebeoordeling van 1 april 2014 en in het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 18 april 2016 – bezien in samenhang met het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 april 2016 – is ook voldoende beargumenteerd dat appellante die werkzaamheden – ook in achtgenomen de bij die functies voorkomende signaleringen – kan verrichten.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2016.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) N. van Rooijen

NK