Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2239

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-06-2016
Datum publicatie
17-06-2016
Zaaknummer
14/1649 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is bij zijn beoordeling uitgegaan van alle relevante medische feiten en hij heeft inzichtelijk en gemotiveerd toegelicht dat appellant met ingang van de datum in geding geschikt is voor zijn maatgevende arbeid als ICT-medewerker.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0653
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1649 ZW

Datum uitspraak: 9 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van

13 februari 2014, 13/5496 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.H.J. Voncken-Crijns hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2016. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als ICT-medewerker toen hij zich per 26 maart 2012 ziek meldde wegens psychische klachten. Op 1 juni 2012 is appellant ziek uit dienst getreden.

Naar aanleiding van zijn ziekmelding heeft appellant diverse malen het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. De verzekeringsarts heeft appellant met ingang van 27 maart 2013 geschikt geacht om zijn arbeid te verrichten.

1.2.

Bij besluit van 26 maart 2013 heeft het Uwv de aan appellant toegekende uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) per 27 maart beëindigd. Aan dit besluit heeft het Uwv een verzekeringsgeneeskundig rapport van 26 maart 2013 ten grondslag gelegd. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij besluit van 27 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het Uwv een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 juni 2013 ten grondslag gelegd.

2. De rechtbank heeft het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de uitspraak van de rechtbank in strijd is met de betreffende en daaraan ten grondslag gelegde wettelijke bepalingen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Voorts heeft appellant verwezen naar datgene wat hij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Op grond van het vijfde lid van artikel 19 van de ZW, is – voor zover hier van belang – bepaald dat ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.

4.2.

Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die zij daaraan ten grondslag heeft gelegd, worden onderschreven. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek van het Uwv zorgvuldig is geweest. Beide verzekeringsartsen hebben appellant op het spreekuur gezien en er is informatie bij de behandelend psychiater opgevraagd en bij de beoordeling betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is bij zijn beoordeling uitgegaan van alle relevante medische feiten en hij heeft inzichtelijk en gemotiveerd toegelicht dat appellant met ingang van de datum in geding geschikt is voor zijn maatgevende arbeid als ICT-medewerker. In wat in hoger beroep is aangevoerd is geen aanleiding om het gemotiveerde oordeel van de rechtbank niet te volgen.

4.3.

Uit wat in 4.2 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Bij dit oordeel is er geen grond voor de gevraagde wettelijke rente.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van de wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en C.C.W. Lange en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2016.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) N. Veenstra

TM