Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2225

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2016
Datum publicatie
16-06-2016
Zaaknummer
14-5946 AOW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2619
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering AOW-pensioen. Appellante is zelf niet verzekerd geweest voor de AOW en aan haar kunnen ook geen huwelijkse tijdvakken worden toegekend, nu zij nog niet met haar echtgenoot was gehuwd gedurende de periode dat deze verzekerd was voor de AOW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5946 AOW

Datum uitspraak: 10 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

7 oktober 2014, 14/2675 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] , Marokko (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2016. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.F.M. Vonk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is geboren in 1949 en woont in Marokko. Zij is op 26 oktober 1987 gehuwd met [naam echtgenoot] . [naam echtgenoot] is op 27 augustus 2006 overleden.

1.2.

Appellante heeft bij de Svb een aanvraag voor een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) ingediend. Dit is haar bij besluit van 30 januari 2014 geweigerd. Bij beslissing op bezwaar van 15 april 2014 (bestreden besluit) heeft de Svb zijn besluit van 30 januari 2014 gehandhaafd. Daarbij is overwogen dat appellante zelf niet verzekerd is geweest voor de AOW en aan haar ook geen huwelijkse tijdvakken kunnen worden toegekend, nu zij nog niet met haar echtgenoot was gehuwd gedurende de periode dat deze verzekerd was voor de AOW.

2.1.

Appellante is tegen het bestreden besluit in beroep gekomen. Zij heeft erop gewezen dat haar echtgenoot verzekerd is geweest voor de AOW. Voorts heeft zij gesteld meer dan 65% arbeidsongeschikt te zijn.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe is in de eerste plaats overwogen dat appellante niet in Nederland heeft gewoond of gewerkt en dat zij niet op grond van de AOW zelfstandig verzekerd is geweest. Appellante zou op grond van artikel 21, eerste lid, van het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (Verdrag) aanspraak kunnen maken op huwelijkse tijdvakken, als haar echtgenoot gedurende het huwelijk op grond van de AOW in Nederland verzekerd was. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellantes echtgenoot voor de AOW verzekerd is geweest van 4 mei 1966 tot 22 augustus 1986 en dat appellante op 29 oktober 1987 met hem is gehuwd. Er is dus geen sprake van huwelijkse tijdvakken als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van het Verdrag. De door appellante aangevoerde omstandigheid dat zij meer dan 65% arbeidsongeschikt is, kan niet leiden tot toekenning van een ouderdomspensioen op grond van de AOW.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante wederom gesteld dat zij arbeidsongeschikt is. Zij heeft verzocht haar ‘een anw-pensioen’ toe te kennen.

3.2.

De Svb heeft er in zijn verweerschrift op gewezen dat het besluit niet ziet op appellantes aanspraken op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) en dat over appellantes aanspraken op grond van die wet al in 2006 is beslist. Met betrekking tot appellantes aanspraak op een ouderdomspensioen op grond van de AOW verwijst de Svb naar hetgeen in het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak is overwogen.

4.1.

Met betrekking tot appellantes aanspraak op grond van de AOW kan de Raad zich geheel vinden in hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen. In hoger beroep is door appellante slechts herhaald dat zij arbeidsongeschikt is. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is dit geen omstandigheid die een rol speelt bij de toekenning van een ouderdomspensioen op grond van de AOW.

4.2.

Ten aanzien van appellantes verzoek haar een uitkering op grond van de ANW toe te kennen, houdt de Raad het er met de Svb voor dat in het beroepschrift sprake is van een verschrijving. Ten overvloede wordt opgemerkt dat de mening van de Svb wordt gedeeld dat deze aanspraak in dit geding niet aan de orde is. Appellantes aanvraag van een nabestaandenuitkering is bij besluit van 29 december 2006 afgewezen op de grond dat haar echtgenoot ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was. Dit besluit is bij beslissing op bezwaar van 6 februari 2007 gehandhaafd. Het beroep daartegen is door de rechtbank op

23 mei 2008 ongegrond verklaard.

4.3.

Het hoger beroep kan niet slagen en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2016.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) J.C. Borman

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip verzekerde.

RB

DÉCISION

La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale) confirme les décisions attaquées.

Par conséquent, décidée par M.M. van der Kade en présence de J.C. Borman en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 10 juin 2016.

Les parties disposent d’un délai de six semaines à compter de la date d’envoi pour introduire un pourvoi en cassation contre cette décision devant la Cour de Cassation des Pays-Bas:

Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, NL 2500 EH ’s-Gravenhage) au titre de la violation ou de la mauvaise application des dispositions concernant la notion de groupe d’assurés.