Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2198

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-06-2016
Datum publicatie
16-06-2016
Zaaknummer
15-4977 ANW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:3851, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering nabestaandenuitkering. Appellante is niet ten minste 45% arbeidsongeschiktheid. Geen twijfel over de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsartsen van het Uwv. De belasting in de voorgehouden functies overschrijdt de belastbaarheid van appellante niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4977 ANW

Datum uitspraak: 15 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

4 juni 2015, 14/2889 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.I. Engelsman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nog stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. H.W.F. Klarenaar. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.C.A. Buskens.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft, na het overlijden van haar echtgenoot op 19 maart 2013, een aanvraag om een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) ingediend bij de Svb. Op verzoek van de Svb heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) vervolgens een medisch en arbeidskundig onderzoek verricht naar de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op en sinds 19 maart 2013. Het Uwv heeft de Svb bij brief van 12 november 2013 geadviseerd om appellante niet aan te merken als arbeidsongeschikt in de zin van de ANW.

1.2.

Bij besluit van 18 november 2013 heeft de Svb geweigerd aan appellante een nabestaandenuitkering toe te kennen.

1.3.

Naar aanleiding van het door appellante tegen het besluit van 18 november 2013 gemaakte bezwaar heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv gerapporteerd.

1.4.

Bij besluit van 20 maart 2014 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 november 2013 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat de Svb uitgaat van de juistheid van het op 12 november 2013 uitgebrachte advies van het Uwv. Op grond van dat advies is de Svb van mening dat appellante geen recht heeft op een nabestaandenuitkering, nu zij niet ten minste 45% arbeidsongeschiktheid is.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is – kort samengevat – overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het onderzoek niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Blijkens de rapporten van de verzekeringsartsen is ook het medicatiegebruik van appellante alsook de informatie van Yulius meegewogen. Niet is gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook op het punt van buigen en zitten een onjuist of onvolledig beeld had van de gezondheidssituatie van appellante op de in geding zijnde datum. In beroep zijn geen nieuwe medische stukken naar voren gebracht waaruit zou kunnen blijken dat appellante op 19 maart 2013 meer beperkingen had dan vermeld in de Functionele mogelijkhedenlijst (FML). Ook anderszins bestaat er geen reden te twijfelen aan de juistheid van het medische oordeel. Uitgaande van de in die FML vastgestelde functionele mogelijkheden van appellante is niet gebleken dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellante – ook niet als gevolg van het medicijngebruik – overschrijdt.

3. Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank onvoldoende motiveert waarom zij tot de conclusie komt dat de verzekeringsarts het medicijngebruik van appellante heeft meegewogen. Dit geldt ook voor de stelling dat appellante niet 150 maal per uur kan buigen en slechts maximaal 30-45 minuten kan zitten. Voorts motiveert de rechtbank onvoldoende waarom appellante niet meer beperkt is dan in de FML aangegeven. Het moet in dit verband ook aannemelijk worden geacht dat de psychische klachten reeds bestonden ten tijde van het overlijden van haar partner.

4. De Svb heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

In geschil is de vraag of de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht heeft geoordeeld dat de Svb met recht heeft geweigerd aan appellante een nabestaandenuitkering toe te kennen omdat zij minder dan 45% arbeidsongeschikt is.

5.2.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de ANW heeft de nabestaande die arbeidsongeschikt is recht op een nabestaandenuitkering. Het begrip arbeidsongeschiktheid is nader gedefinieerd in artikel 11 van de ANW.

Artikel 11 van de ANW luidt:

“1. Arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

2. In het eerste lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.”

5.3.

Zoals de rechtbank terecht overweegt wordt er volgens vaste rechtspraak van uitgegaan dat de wetgever met deze bepaling kennelijk heeft beoogd aan te sluiten bij de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in de arbeidsongeschiktheidswetten en ligt het dan ook voor de hand bij de toepassing van artikel 11 van de ANW zo mogelijk aansluiting te zoeken bij de regelgeving en de rechtspraak over het begrip arbeidsongeschiktheid in die wetten.

5.4.

Vooreerst wordt appellantes stelling verworpen dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zij tot de conclusie is gekomen dat de verzekeringsarts het medicijngebruik van appellante heeft meegewogen. In de aangevallen uitspraak is onder 8.2 in voldoende mate overwogen dat er geen twijfel bestaat met betrekking tot het bij de beoordeling van de verzekeringsartsen in ogenschouw nemen van het medicijngebruik, waaronder Oxazepam, van appellante. Hierbij is nog van belang dat appellante ter zitting van de rechtbank ook heeft verklaard dat haar medicijngebruik – waaronder dus Oxazepam – tijdens het gesprek met de verzekeringsarts(en) aan de orde is geweest. Ook wat betreft de beperkingen op het gebied van buigen en zitten wijst de rechtbank er terecht op dat niet is gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist of onvolledig beeld had van de gezondheidssituatie van appellante. Die verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en appellante tijdens de hoorzitting gezien. Blijkens zijn rapport van 3 maart 2014 komt hij op basis van zijn onderzoek tot de conclusie dat de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen in de lijn liggen met de door hem verkregen medische informatie. Voorts is gebleken dat voor appellante buigen tot 80 graden mogelijk was, terwijl in de FML een beperking tot 60 graden is aangenomen, en dat appellante tijdens de hoorzitting in staat was gedurende in ieder geval 35 minuten achtereen te blijven zitten. Wat betreft de psychische klachten van appellante bestaat er onvoldoende aanleiding te veronderstellen dat die klachten ten tijde van het overlijden van haar partner op 19 maart 2013 reeds hebben geleid tot beperkingen voor het verrichten van arbeid. Uit de door de verzekeringsarts opgenomen anamnese en de door appellante ingevulde verzekeringsgeneeskundige vragenlijst blijkt niet dat zij omstreeks die datum onder behandeling was van een psycholoog of psychiater. Uit de in hoger beroep overgelegde informatie van Yulius blijkt evenmin van een dergelijke behandeling op of rond 19 maart 2013. Daarbij wordt er op gewezen dat uit deze informatie blijkt dat de in augustus 2009 aangevangen behandeling in september 2011 is afgesloten en dat appellante daarna eerst in november 2013 wederom onder behandeling gekomen. Appellante was daarnaast op en rond de hier in geding zijnde datum feitelijk werkzaam als gastvrouw bij een crematorium. De Raad ziet – gelet op het voorgaande – geen reden een onderzoek door een onafhankelijk psychiater deskundige – als ter zitting verzocht – te doen instellen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit de beschikbare gedingstukken niet kan worden opgemaakt dat appellante op 19 maart 2013 meer psychische en lichamelijk beperkingen voor het verrichten van arbeid ondervond dan vermeld in de FML of dat er anderszins twijfel is over de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsartsen van het Uwv.

5.5.

Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de rechtbank terecht aangenomen dat de belasting in de voorgehouden functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt. De arbeidsdeskundigen van het Uwv hebben daarbij inzichtelijk en toereikend gemotiveerd waarom ook de in het formulier “Resultaat Functiebeoordeling” opgenomen signaleringen daaraan niet in de weg staan.

5.6.

Uit wat hiervoor onder 5.1 tot en met 5.5 is overwogen, vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2016.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) N. van Rooijen

MO