Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2194

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
16-06-2016
Zaaknummer
15/1674 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

terecht oordeel rechtbank dat bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en naar behoren gemotiveerd. Overwegingen van rechtbank worden geheel onderschreven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0643
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1674 ZW

Datum uitspraak: 1 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

27 januari 2015, 14/3521 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft tezamen met de zaak 15/965 WAO plaatsgevonden op

13 april 2016. Appellante is met bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.

In de zaak 15/965 WAO is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Het Uwv heeft met ingang van 31 juli 2013 een eerder aan appellante toegekende uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ingetrokken, omdat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Appellante werd met haar beperkingen in staat geacht functies als productiemedewerker industrie (sbc-code: 111180), productiemedewerker metaal en electro-industrie (sbc-code: 111171) en snackbereider

(sbc-code:111071) te vervullen. Appellante heeft zich op 23 oktober 2013 ziekgemeld met pijnklachten ten gevolge van een aanrijding. Op dat moment ontving appellante een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

1.2.

Op 6 januari 2014 heeft appellante het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft appellante per 9 januari 2014 geschikt geacht voor de functies van productiemedewerker industrie, productiemedewerker metaal en electro-industrie en snackbereider. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 6 januari 2014 vastgesteld dat appellante per 9 januari 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 16 april 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 april 2014 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen geen aanleiding te zien om te twijfelen aan de door de verzekeringsartsen getrokken conclusies aangaande de medische belastbaarheid van appellante. Daarbij acht de rechtbank van belang dat appellante geen medische informatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij op de datum in geding verdergaand was beperkt dan waarvan het Uwv is uitgegaan.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald wat zij in bezwaar en beroep al heeft aangevoerd. Zij acht zich zowel lichamelijk als psychisch aanmerkelijk minder belastbaar dan het Uwv heeft aangenomen. Aan het ongeval dat haar op 23 oktober 2013 is overkomen heeft appellante forse lichamelijke klachten overgehouden. Daarnaast zijn haar psychische klachten, op grond waarvan zij een WAO-uitkering heeft ontvangen van 14 mei 2004 tot

31 juli 2013, verergerd en is haar incasseringsvermogen sterk verminderd. Appellante verzoekt de Raad alsnog een deskundige te benoemen die nader kan rapporteren over haar gezondheidssituatie en de bij haar bestaande beperkingen op de in dit geding van belang zijnde datum 9 januari 2014.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de WAO. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de WAO.

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en naar behoren is gemotiveerd. De overwegingen die de rechtbank aan de aangevallen uitspraak ten grondslag heeft gelegd, worden geheel onderschreven. Appellante is er niet in geslaagd in hoger beroep twijfel te doen ontstaan aan de juistheid van het oordeel van de rechtbank. Nadere gegevens, die haar standpunt kunnen onderbouwen, zijn in hoger beroep niet ingebracht. Het verzoek om alsnog een expertise te laten verrichten door een onafhankelijk deskundige wordt dan ook afgewezen.

5. De overwegingen in 4.1 en 4.2 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet als voorzitter, in tegenwoordigheid van

I.G.A.H Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2016.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) I.G.A.H. Toma

MO