Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2188

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-06-2016
Datum publicatie
16-06-2016
Zaaknummer
14/6877 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:9254, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
-
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0633
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6877 WIA

Datum uitspraak: 9 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

14 november 2014, 14/1910 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.K. Dekker.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als steksteekster voor 28,69 uur per week, toen zij zich op

26 april 2011 ziek meldde met klachten gerelateerd aan haar zwangerschap. Het dienstverband van appellante is per 17 juni 2011 beëindigd. Appellante had sinds juli 2011 toenemende klachten aan haar vingers en handen en aan haar polsen, gediagnosticeerd als Carpaal tunnel syndroom (CTS). Zij is september 2012 aan haar linker pols geopereerd. Appellante ontwikkelde daarnaast ook psychische en vermoeidheidsklachten.

1.2.

Appellante heeft een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Het Uwv heeft bij besluit van 8 oktober 2013 vastgesteld dat appellante na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van

13 augustus 2013 geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat appellante per deze datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellante werd met haar beperkingen ongeschikt geacht voor haar laatst verrichte werk, maar wel in staat geacht andere functies te vervullen. Het bezwaar van appellante tegen deze beslissing heeft het Uwv bij besluit van 6 februari 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 januari 2014 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 22 januari 2014 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van het Uwv zorgvuldig is geweest, dat de verzekeringsartsen alle relevante medische aspecten hebben meegewogen en de functionele mogelijkheden van appellante juist hebben vastgesteld. Het is de rechtbank niet gebleken dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellante overschrijdt.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante haar gronden beperkt tot de medische grondslag van het bestreden besluit. Ter onderbouwing van haar standpunt dat zij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft vastgesteld, heeft appellante onder meer een aantal rapporten van het Instituut Psychosofia ingediend en informatie van behandelaars van appellante, waaronder een overzicht van en informatie over de behandelingen door haar fysiotherapeute, en brieven van andere behandelaars, die deels al eerder in de procedure waren overgelegd. Daarnaast heeft zij een beslissing overgelegd met betrekking tot een indicatie voor huishoudelijke hulp in het verband van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

3.2.

Verweerder heeft een reactie van een verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd en verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft het oordeel van de rechtbank, dat het Uwv de functionele mogelijkheden van appellante juist heeft vastgesteld, onder meer bestreden met het overleggen van twee rapporten van het Instituut Psychosofia. Gelet op wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd omtrent de waarde van deze rapporten, herhaalt de Raad zijn opvatting dat wat betreft de voor de toepassing van de WIA relevante arbeidsbeperkingen geldt dat die op de in de reguliere geneeskunde gebruikelijke wijze dienen te worden vastgesteld. Daarom bieden die rapporten naar het oordeel van de Raad in medisch opzicht geen aanknopingspunt voor de conclusie dat appellante op de datum in geding op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet in staat was de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de geselecteerde en binnen de grenzen van de door de verzekeringsarts ten aanzien van appellante vastgestelde belastbaarheid blijvende functies. Wel kunnen de rapporten beroepsgronden bevatten of een nadere onderbouwing daarvan die, alsof ze bijvoorbeeld afkomstig zijn van appellante zelf of van haar gemachtigde, door de Raad beoordeeld worden (uitspraken van 13 juli 2005 ECLI:NL:CRVB:2005:AT9828 en 5 november 2008 ECLI:NL:CRVB:BG4571).

4.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de beperkingen en mogelijkheden van appellante op zorgvuldige wijze door de verzekeringsartsen zijn vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zoals blijkt uit het rapport van 7 januari 2014 appellante gesproken op de hoorzitting en heeft alle op dat moment beschikbare informatie beoordeeld. Dat betrof onder meer het rapport van een verzekeringsarts die appellante op

20 september 2013 op het spreekuur heeft onderzocht en informatie van de psychiater en de radioloog die appellante hebben behandeld. Zij heeft ook de medicatie die appellante voor onder meer haar psychische klachten gebruikte, waaronder Oxazepam en Haldol, bij de beoordeling betrokken. In de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 7 januari 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen van appellante opgenomen, in verband met haar psychische en fysieke klachten en in verband met de werking van de medicijnen die zij gebruikt.

4.3.

In de beroepsfase heeft appellante kort voor de zitting bij de rechtbank nog informatie ingebracht van haar huisarts, haar fysiotherapeute, haar sociaal psychiatrisch verpleegkundige en informatie over haar medicijngebruik. De rechtbank heeft naar aanleiding daarvan het onderzoek ter zitting geschorst, waarna het Uwv met een rapport van

8 augustus 2014 van de verzekeringsarts bewaar en beroep op deze nieuwe informatie heeft gereageerd. De verzekeringsarts zag daarin geen aanleiding om de FML aan te passen. De verzekeringsartsen hebben aldus alle beschikbare informatie over de medische klachten van appellante beoordeeld en op basis daarvan zijn voor appellante beperkingen geformuleerd.

4.4.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv de mogelijkheden en beperkingen van appellante juist heeft vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 7 januari 2014 geconcludeerd dat de klachten van appellante aan haar handen en polsen, als gevolg van CTS beiderzijds, in verband waarmee appellante is geopereerd, handspalken draagt en injecties krijgt, reden zijn om meer beperkingen op te nemen dan de verzekeringsarts had gedaan in de FML van 20 september 2013. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 8 augustus 2014, 23 november 2015 en 4 april 2016 overtuigend gemotiveerd, dat in de overgelegde informatie van onder meer de behandelend fysiotherapeut geen aanknopingspunten zijn te vinden dat meer of zwaardere beperkingen zouden moeten worden opgenomen. In laatstgenoemd rapport is ook gereageerd op de rapporten van het Instituut Psychosofia waarbij overtuigend is gemotiveerd dat er geen reden was om ook beperkingen op te nemen voor het gebruik van nek, schouders of rug.

4.5.

Ook wat is aangevoerd over de voor appellante opgenomen psychische beperkingen, leidt niet tot het oordeel dat de rechtbank het Uwv daarin ten onrechte heeft gevolgd. In de in 4.4 genoemde rapporten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat met alle beschikbare informatie rekening is gehouden en dat dat aanleiding is geweest om beperkingen voor appellante op te nemen op een aantal aspecten in de rubrieken “Persoonlijk functioneren” en “Sociaal functioneren” van de FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveert ook waarom bij een aantal andere aspecten geen beperking is opgenomen. Deze verzekeringsarts heeft daarmee overtuigend gereageerd op de bevindingen in de rapporten van het Instituut Psychosofia.

4.6.

Er is ook geen aanleiding om te concluderen dat de verzekeringsartsen de gevolgen van het medicijngebruik van appellante onvoldoende hebben ingeschat. Uit de FML blijkt bijvoorbeeld dat appellante in verband met medicatie is aangewezen op werk zonder verhoogd persoonlijk risico. Deze FML vormt samen met de rapporten van de verzekeringsartsen waarin de medicatie wordt genoemd, de basis voor de arbeidsdeskundigen om te beoordelen of appellante nog in staat is om functies te verrichten en hoe de belasting van die functies zich verhoudt tot de voor appellante opgenomen beperkingen. Het standpunt van appellante dat met de bijwerkingen onvoldoende rekening is gehouden is in dit verband onvoldoende onderbouwd.

4.7.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 7 januari 2014 is voldoende gemotiveerd dat de voor appellante geselecteerde functies passend zijn.

4.8.

Gezien wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.7 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Omdat het hoger beroep niet slaagt, is veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk, zodat dit verzoek zal worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en C.C.W. Lange en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2016.

(getekend) J.S van der Kolk

(getekend) N. Veenstra

UM