Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2184

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2016
Datum publicatie
16-06-2016
Zaaknummer
14/5681 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Binnen tien dagen voor de zitting ingediende nadere stukken worden meegenomen. Overgangsrecht invoering van de Wajong. Toetsingskader. Verzoek terugkomen van besluit van 4 maart 2010 bevat geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Toekomst; Uwv heeft terecht besloten dat overgelegde informatie geen feiten of omstandigheden bevat op grond waarvan het besluit van 4 maart 2010 onjuist is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABKort 2016/242
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5681 WWAJ

Datum uitspraak: 8 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

22 september 2014, 14/1911 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft op 7 maart 2016 gereageerd op vragen van de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2016. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.1.

Op 10 november 2009 heeft appellant, geboren [in] 1976, een aanvraag op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend wegens psychische klachten.

1.2.

Bij besluit van 4 maart 2010 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een uitkering toe te kennen, op de grond dat niet is vast te stellen of appellant voor zijn zeventiende jaar arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is ongegrond verklaard. Hiertegen heeft appellant geen beroep ingesteld.

1.3.

Op 20 december 2010 heeft appellant een aanvraag op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) ingediend.

1.4.

Bij besluit van 2 februari 2011 is deze aanvraag afgewezen op de grond dat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn vermeld die aanleiding zijn om terug te komen van het besluit van

4 maart 2010. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is ongegrond verklaard. Hiertegen heeft appellant evenmin beroep ingesteld.

1.5.

Op 6 mei 2013 heeft appellant wederom een aanvraag op grond van de Wet Wajong ingediend.

1.6.

Bij besluit van 28 mei 2013 is deze aanvraag afgewezen op de grond dat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb zijn vermeld die aanleiding zijn om terug te komen van het besluit van 4 maart 2010. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij brief van 9 augustus 2013 ingetrokken, omdat volgens appellant geen nieuwe feiten zijn ontdekt in de stukken en appellant geen nieuwe feiten heeft kunnen aandragen.

1.7.

Op 6 januari 2014 heeft appellant opnieuw een aanvraag op grond van de Wet Wajong ingediend.

1.8.

Bij besluit van 23 januari 2014 is deze aanvraag afgewezen op de grond dat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb zijn vermeld die aanleiding zijn om terug te komen van het besluit van 4 maart 2010. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 20 mei 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Hiertegen heeft appellant beroep ingesteld.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de besluiten op appellants eerdere Wajong-uitkering in rechte vast zijn komen te staan en dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb naar voren heeft gebracht. De brief van Arbo Vitale van 19 december 2013 werpt geen nieuw licht op de situatie per

2 mei 1993, de brief van huisarts Keur van 3 december 2010 was al bekend, het oude huisartsenjournaal had al in de eerste bezwaarprocedure ingebracht kunnen worden en is bovendien te algemeen en onvoldoende specifiek.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat uit de stukken volgt dat hij in zijn jeugd een trauma heeft opgelopen, dat hij concentratie-, slaap- en agressieregulatieproblemen heeft, alsmede dat hij een verstandelijke beperking heeft en er aanwijzingen zijn voor PDD-NOS. Dit is niet in de beoordeling betrokken geweest. Daarom is het volgens appellant wel mogelijk om vast te stellen welke arbeidsbeperkingen er voor zijn zeventiende jaar waren.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 8:58, eerste lid, van de Awb kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Dit voorschrift beoogt, als voortvloeiend uit de eisen van een goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor, onder meer de wederpartij te beschermen tegen ontijdig aan het dossier toegevoegde stukken waarop die partij niet is voorbereid en waarop niet adequaat kan worden gereageerd. Het Uwv heeft bij faxbericht van 7 maart 2016, in antwoord op een vraagstelling van de Raad, een reactie ingezonden met als bijlage een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep verwijst naar reeds bekende medische informatie en de inhoud van de reactie niet zodanig is dat appellant daarop niet adequaat zou kunnen reageren, worden deze stukken in de beoordeling betrokken. Dat appellant vervolgens niet op de bewuste stukken heeft willen reageren, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij is van belang dat appellant bij faxbericht van 9 maart 2016 kenbaar heeft gemaakt de stukken te hebben gezien, maar daarop niet te willen reageren en ook niet ter zitting te zullen verschijnen.

4.2.

Gelet op het overgangsrecht bij de invoering van de Wajong dient, omdat appellant is geboren in 1976, de beoordeling van zijn aanspraken plaats te vinden aan de hand van het bepaalde in de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW; zie de uitspraak van de Raad van 8 april 2015, ECLI:NL:2015:1111).

4.3.

Op grond van artikel 5, eerste lid, van de AAW, zoals deze bepaling destijds luidde, is arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, hij die ten gevolge van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk buiten staat is om met arbeid, die voor zijn krachten en bekwaamheden is berekend en die met het oog op zijn opleiding en vroeger beroep hem in billijkheid kan worden opgedragen, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht of op een naburige soortgelijke plaats, te verdienen, hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen, van dezelfde soort en soortgelijke opleiding, op zodanige plaats met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AAW heeft recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering de verzekerde, die op de dag, waarop hij 17 jaar wordt, arbeidsongeschikt is, zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is.

4.4.

In de uitspraak van de Raad van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1, is overwogen dat een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking moet worden beoordeeld.

4.5.

Het verzoek van appellant van 6 januari 2014 strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van het besluit van 4 maart 2010, waarbij geweigerd is om aan appellant een Wajong-uitkering toe te kennen omdat niet is vast stellen of hij voor zijn zeventiende jaar arbeidsongeschikt is. Het verzoek strekt er – mede gelet op de reactie van het Uwv van 7 maart 2016 – tevens toe om voor de toekomst, zijnde de periode vanaf de aanvraag van 6 januari 2014, terug te komen van de in het besluit van 4 maart 2010 neergelegde weigering.

4.6.

Voor het toetsingskader wordt verwezen naar overweging 3.2 van de in overweging 4.4 genoemde uitspraak van de Raad.

4.7.

Voor zover het verzoek van appellant strekt tot het terugkomen van het besluit van

4 maart 2010, en daarmee ziet op een periode voorafgaand aan de aanvraag, heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht en op juiste gronden geoordeeld dat wat appellant heeft vermeld bij zijn aanvraag van 6 januari 2014 geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb zijn. Daarbij is van belang dat uit de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 april 2010, 27 april 2011 en 26 maart 2014 volgt dat de in 2009 gestelde diagnose PTSS, de verstandelijke beperking van appellant en hetgeen over appellant in het oude huisartsenjournaal over de jaren 1992 en 1993 staat vermeld in de beoordeling is betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in deze rapporten overtuigend beargumenteerd dat hetgeen door appellant is ingebracht geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die aanleiding zijn om terug te komen van de weigering om Wajong-uitkering toe te kennen. Dat er aanwijzingen zijn voor

PDD-NOS is geen nieuw feit of veranderde omstandigheid als hiervoor bedoeld.

4.8.

Wat betreft de aanvraag van appellant voor zover betrekking hebbend op de periode na de aanvraag van 6 januari 2014, heeft het Uwv in hoger beroep beoordeeld of het verzoek van appellant mogelijk voor de toekomst een aanspraak op een Wajong-uitkering geeft. Het Uwv heeft terecht besloten dat dat niet het geval is aangezien de door appellant overgelegde informatie geen feiten of omstandigheden bevat op grond waarvan geconcludeerd zou moeten worden dat het besluit van 4 maart 2010 onjuist is geweest. Dit volgt ook uit hetgeen is overwogen in 4.7. Dit leidt tot de conclusie dat, ook met betrekking tot het aspect dat aanvankelijk niet door het Uwv is beoordeeld, terecht een arbeidsongeschiktheidsuitkering is geweigerd. Omdat appellant hierdoor niet wordt benadeeld, zal onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb het bestreden besluit ondanks de schending van artikel 7:12, eerste lid, van die wet in stand worden gelaten.

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden, bevestigd dient te worden.

5. Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant ter hoogte van € 496,- in verband met verleende rechtsbijstand in beroep en € 496,- in verband met verleende rechtsbijstand in hoger beroep, totaal € 992,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten in beroep en hoger beroep ter hoogte van € 992,-;

  • -

    bepaalt dat van het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ter hoogte van € 167,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en F.M.S. Requisizione en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2016.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) L.L. van den IJssel

UM